Dyflexis: organisaties onderschatten de impact van planners op uitstroom en verzuim

3 februari 2026

Verzuim en uitstroom kosten orga­ni­sa­ties veel geld, maar de blik blijft hard­nekkig op de verkeerde oorzaken gericht. Perso­neels­krapte, cultuur en mana­ge­ment krijgen de aandacht, terwijl de boardroom de rol van planners struc­tu­reel onder­schat. Dat is opmer­ke­lijk, want juist daar wordt volgens Dyflexis als eerste zichtbaar waar de werkdruk oploopt en grenzen worden over­schreden. Het bedrijf benoemt vier aandachts­punten waarmee planners het verschil maken.

“Planners worden afge­re­kend op het dichten van gaten, niet op het aankaarten van struc­tu­rele problemen”, zegt Bastiaan Schoon­hoven, CCO bij Dyflexis. “Het probleem verdwijnt daardoor niet, maar keert elke dag terug in de planning.”

Zolang mede­wer­kers blijven meebe­wegen, lijkt dat te werken. Maar de prijs wordt snel duidelijk. Rust en voor­spel­baar­heid verdwijnen, diensten schuiven en steeds dezelfde mensen springen bij. Wat over­blijft is over­be­las­ting. Verzuim en uitstroom zijn dan geen toeval meer, maar het logische gevolg.

Vier aandachtspunten die de rol van planners veranderen

Deze vier aandachts­punten maken duidelijk wat er nodig is om planning stra­te­gi­scher in te zetten:

1. Geef planners formeel mandaat om werkdruk te signaleren

Planners zien elke dag waar het schuurt. Overuren stapelen zich op, diensten worden meerdere keren aangepast en steeds dezelfde mede­wer­kers worden opnieuw gebeld om gaten te vullen. In de praktijk lossen planners dit op door te schuiven, te bellen en te impro­vi­seren, net zo lang tot het rooster sluit. Het werk gaat door. Het signaal verdwijnt.

Dat stopt niet zodra het rooster rond is. Ook daarna blijft verborgen wat ervoor nodig was. Extra diensten, last-minute aanpas­singen en terug­ke­rende uitzon­de­ringen verdwijnen uit beeld, terwijl ze zich blijven herhalen. Op papier klopt het rooster. In de praktijk wordt er struc­tu­reel bijgestuurd.

Wat hier ontbreekt, is volgens Schoon­hoven mandaat. “Planners mogen nu vooral oplossen, maar zelden expliciet zeggen: dit gaat zo niet meer. Om dat te veran­deren, moeten orga­ni­sa­ties vast­leggen wanneer een planner mag stoppen met repareren en verplicht is om het gesprek te openen. Bijvoor­beeld wanneer dezelfde ingrepen zich blijven herhalen of wanneer dezelfde mede­wer­kers struc­tu­reel moeten bijspringen. Op dat moment verschuift het van planning naar besluitvorming.”

2. Bepaal vooraf wat flexibiliteit wel en niet betekent

Flexi­bi­li­teit mag geen nood­ver­band worden voor struc­tu­rele tekorten. Zolang extra inzet inci­den­teel blijft, werkt het. In de praktijk wordt flexi­bi­li­teit echter gebruikt om roosters struc­tu­reel sluitend te houden, zonder dat iemand expliciet bepaalt waar de grens ligt. Wat bedoeld is als uitzon­de­ring, wordt zo dage­lijkse routine.

Daarom moeten orga­ni­sa­ties vooraf vast­leggen hoeveel extra inzet planners mogen inzetten voordat flexi­bi­li­teit stopt. Bijvoor­beeld door een maximum te bepalen voor extra diensten, overuren of verschoven roosters binnen een vaste periode. Zodra die grens wordt bereikt, mag de planner het probleem niet langer oplossen in het rooster. Dan verschuift de verant­woor­de­lijk­heid bewust naar het mana­ge­ment, dat een keuze moet maken: capa­ci­teit uitbreiden, werk herpri­o­ri­teren of accep­teren dat niet alles wordt ingevuld.

3. Leg vast wie beslist

In veel orga­ni­sa­ties is niet vast­ge­legd wie het laatste woord heeft als planning geen oplossing meer biedt. Schoon­hoven: “Daardoor ontstaat een grijs gebied waarin keuzes wel worden gemaakt, maar nergens formeel worden genomen. Wat nog past, schuift door. Wat niet past, blijft liggen. Niet omdat dat is besloten, maar omdat niemand verant­woor­de­lijk is voor de afweging.”

Om dit te door­breken, moeten orga­ni­sa­ties expliciet vast­leggen welke besluiten op welk niveau worden genomen zodra planning vastloopt. Dat betekent: helder maken welke keuzes planners mogen maken, wanneer team­lei­ding beslist en wanneer mana­ge­ment moet prioriteren.

4. Stuur niet alleen op bezetting, maar op houdbaarheid

Een rooster kan sluitend zijn en toch steeds op dezelfde mensen leunen. Mede­wer­kers draaien struc­tu­reel ongun­stige diensten, springen herhaal­de­lijk bij of hebben weinig voor­spel­baar­heid in hun werkweek. Op papier klopt het rooster. In de praktijk ontstaat scheefgroei.

Wat hier vaak ontbreekt, is een duide­lijke toets. Roosters worden goed­ge­keurd omdat ze gevuld zijn, niet omdat ze vol te houden zijn. Daarom moeten orga­ni­sa­ties expliciet afspreken welke vraag zij bij elk rooster stellen. Niet alleen: ‘is het rond?’, maar ook: kunnen we dit rooster volgende maand op dezelfde manier maken zonder dezelfde mensen opnieuw te belasten?’

Die afspraak maakt het verschil. Als het antwoord nee is, wordt het rooster geen eindpunt maar een signaal. Dan is het gesprek niet meer of het technisch klopt, maar wat dit zegt over inzet, verdeling en houd­baar­heid. Zo verschuift sturing van korte termijn bezetting naar duurzame inzet­baar­heid, zonder extra systemen of rapportages.

Verkeerde prikkel

“Zolang planners worden afge­re­kend op sluitende roosters, maar niet op duurzame inzet­baar­heid, krijg je een verkeerde prikkel”, zegt Schoon­hoven. “Dan los je vandaag iets op dat morgen opnieuw terugkomt.”

Volgens Schoon­hoven is de keuze simpel. “Of je blijft inves­teren in pleisters achteraf, of je erkent dat planners een van de meest bepalende rollen zijn voor het welzijn, de conti­nu­ï­teit en de produc­ti­vi­teit van medewerkers.”

Pin It on Pinterest

Share This