Onderzoekers versturen data met 42,8 Gbit/​s per lichtstraal via draadloos optisch-netwerk

17 maart 2017

Traag wifi is een bron van ergernis die bijna iedereen kent. Draadloze apparaten consu­meren steeds meer data, terwijl tege­lij­ker­tijd steeds meer apparaten met het netwerk worden verbonden. Het wifi-netwerk raakt hierdoor over­be­last. Onder­zoe­kers van de Neder­landse Tech­ni­sche Univer­si­teit Eindhoven hebben hier een oplossing voor bedacht: een draadloos netwerk gebaseerd op onge­vaar­lijke infra­rood­stralen. Niet alleen biedt een derge­lijke netwerk een capa­ci­teit van meer dan 40Gbit/​s, ook hoeft het netwerk niet gedeeld te worden doordat elk apparaat een eigen licht­straal krijgt toege­wezen. TU/​e‑onderzoeker Joanne Oh promo­veerde onlangs cum laude op dit onderwerp.

De Technische Universiteit EindhovenHet in Eindhoven bedachte systeem is eenvoudig en in principe goedkoop van opzet. De draadloze data komt van enkele centrale ‘licht­an­tennes’, die bijvoor­beeld aan het plafond worden gemon­teerd. Deze antennes kunnen licht­stralen die worden aange­voerd via een glasvezel, heel nauw­keurig richten. Dit zonder bewegende delen, waardoor het systeem onder­houds­vrij is en geen stroom verbruikt. Dit is mogelijk dankzij roosters in de antennes die licht­stralen van verschil­lende golf­lengtes onder verschil­lende hoeken uitstralen (‘passive diffrac­tion gratings’). Door de licht­fre­quentie te veran­deren, verandert dus de richting van de licht­straal. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een veilige frequentie infra­rood­licht dat het kwetsbare netvlies in het menselijk oog niet bereikt, wat de techniek veilig maakt.

Automatisch overstappen op andere lichtantenne

Indien een gebruiker rond­wan­delt en diens smartphone of tablet buiten beeld van een licht­an­tenne raakt, wordt de verbin­ding auto­ma­tisch over­ge­nomen door een andere licht­an­tenne. Het netwerk houdt de exacte plaats van alle draadloze apparaten bij met behulp van het radio­sig­naal dat ze terug sturen. Indien extra apparaten worden toege­voegd krijgen deze vanuit dezelfde licht­an­tennes andere licht­golf­lengtes toege­wezen, waardoor de apparaten capa­ci­teit niet hoeven te delen. Dit voorkomt daarnaast storing door omlig­gende wifi-netwerken.

Het huidige wifi maakt gebruik van radio­sig­nalen, met een frequentie van 2,5 of 5 gigahertz. Het in Eindhoven bedachte systeem gebruikt infra­rood­licht met frequen­ties die meer dan duizend keer hoger zijn, zo’n 200 terahertz. De dataca­pa­ci­teit van licht­stralen is hierdoor veel hoger. Joanne Oh wist een snelheid van 42,8 Gbit/​s te reali­seren over 2,5 meter afstand. Ter verge­lij­king: de gemid­delde verbin­dings­snel­heid in Nederland is twee­dui­zend keer minder (17,6 Mbit/​s). Op locaties waar een snel wifi-netwerk beschik­baar is, wordt nog altijd een data­snel­heid van niet meer dan 300 Mbit/​s gere­a­li­seerd. Dit is ruim honderd keer minder dan de snelheid behaald in het Eind­ho­vense onderzoek per licht­straal. Het Eind­ho­vense systeem gebruikt tot nu toe de licht­sig­nalen nog alleen voor het down­lo­aden. Voor uploaden worden voor­alsnog radio­sig­nalen gebruikt, omdat er voor uploaden doorgaans veel minder capa­ci­teit nodig is.

BROWSE project

Het werk van promo­vendus Oh is onderdeel van het bredere project BROWSE, geleid door hoog­le­raar breed­band­tech­no­logie Ton Koonen en uitge­voerd met finan­ciële steun van de European Research Council. Joanne Oh werkte vooral aan de tech­no­logie van data­trans­missie via richtbare infrarood-licht­stralen. Andere promo­vendi werken nog aan de techniek om nauw­keurig bij te houden waar alle draadloze apparaten zijn en aan het benodigde centrale glas­ve­zel­net­werk achter de licht­an­tennes. Koonen verwacht dat het nog zeker 5 jaar duurt voordat de nieuwe tech­no­logie in de winkels ligt. Hij denkt dat apparaten met hoge data­con­sumptie zoals video­beeld­schermen, laptops of tablets als eerste zullen worden aange­sloten op dit nieuwe soort draadloos netwerk.

De groep van Koonen is niet de enige die werkt aan ‘indoor optical wireless networks’. Wereld­wijd wordt op andere univer­si­teiten en onder­zoeks­in­sti­tuten onder meer onder­zocht of het mogelijk is om data te verzenden via de LED kamer­ver­lich­ting. Het nadeel daarvan is echter dat de band­breedte niet hoog is en gedeeld moet worden door de aange­sloten apparaten. Enkele andere groepen onder­zoeken netwerk­con­cepten waarin infrarood licht­stralen worden gericht met beweeg­bare spiegels. Het nadeel daarvan is echter dat dit actieve controle van de spiegels en stroom vergt, en dat elke spiegel maar één licht­sig­naal tegelijk kan behan­delen. De roosters die Koonen en Oh gebruiken, kunnen vele licht­stralen en dus apparaten tegelijk aan.

Institute for Photonic Integration

Het werk van Oh en Koonen valt binnen het Institute for Photonic Inte­gra­tion van de TU/​e. Dit is één van de wereld­wijd toon­aan­ge­vende onder­zoek­centra op gebied van ‘photonics’; het gebruik van licht (fotonen) in plaats van elek­tri­ci­teit (elek­tronen) om data te verzenden.

Pin It on Pinterest

Share This