Paula Grzegorzewska van Linux Foundation Europe: “Open source wordt strategisch gereedschap voor Europese digitale soevereiniteit”

21 september 2026

Open source speelt een steeds belang­rij­kere rol in de discussie over de digitale soeve­rei­ni­teit van Europa. Daarbij gaat het inmiddels om veel meer dan de vraag of bedrijven en overheden software gebruiken waarvan de broncode beschik­baar is. Het draait vooral om controle: over tech­no­logie, infra­struc­tuur, data en uitein­de­lijk ook over de econo­mi­sche en politieke speel­ruimte van Europa. Die boodschap stond centraal in een presen­tatie van Paula Grze­gor­zewska van Linux Foun­da­tion Europe tijdens de Nextcloud Community Confe­rence in Berlijn.

Grze­gor­zewska houdt zich bij Linux Foun­da­tion Europe bezig met de relatie tussen de open-sour­ce­ge­meen­schap, bedrijven en Europese beleids­ma­kers. Vanuit Brussel ziet zij hoe sterk de discussie over digitale soeve­rei­ni­teit de afgelopen jaren is veranderd. Het onderwerp is volgens haar verschoven van een relatief speci­a­lis­ti­sche discussie naar een thema dat hoog op de agenda staat van zowel overheden als bedrijven.

Een belang­rijke reden daarvoor is uiteraard dat steeds duide­lijker wordt hoe afhan­ke­lijk Europa voor zijn digitale infra­struc­tuur is van een relatief klein aantal grote tech­no­lo­gie­be­drijven. Dat speelt bij cloud­in­fra­struc­tuur, soft­wa­re­plat­forms, chips en inmiddels ook bij kunst­ma­tige intelligentie.

Open source kan volgens Grze­gor­zewska helpen om die afhan­ke­lijk­heid te verkleinen. Niet doordat Europa zich tech­no­lo­gisch zou moeten afsluiten van de rest van de wereld, maar doordat orga­ni­sa­ties meer grip krijgen op de tech­no­logie waarvan zij afhan­ke­lijk zijn.

Een formu­le­ring die tijdens haar presen­tatie meerdere malen terugkwam, was in dat opzicht veel­zeg­gend: “mastery, not isolation”. Digitale soeve­rei­ni­teit betekent niet dat iedere tech­no­logie in Europa ontwik­keld moet worden. Het betekent vooral dat Europa voldoende kennis, invloed en moge­lijk­heden moet behouden om zelf keuzes te kunnen maken.

Digitale soevereiniteit wordt belangrijker

Dat digitale soeve­rei­ni­teit inmiddels breed leeft, blijkt volgens Linux Foun­da­tion Europe ook uit eigen onderzoek. Van de onder­vraagde Europese orga­ni­sa­ties zegt 94 procent dat digitale soeve­rei­ni­teit belang­rijk is voor de tech­no­lo­gie­stra­tegie. Voor 61 procent is het zelfs zeer belang­rijk. Security en privacy zijn daarbij de meest genoemde redenen. Zo noemt 71 procent van de Europese orga­ni­sa­ties deze onder­werpen als belang­rijke drijfveer.

Maar Grze­gor­zewska wees tijdens haar presen­tatie ook op een aantal punten waarop Europa duidelijk afwijkt van andere delen van de wereld. Zo noemt 55 procent van de Europese respon­denten vendor lock-in en de finan­ciële risico’s daarvan als reden om meer aandacht aan digitale soeve­rei­ni­teit te besteden. Buiten Europa ligt dat percen­tage op 48 procent. Ook nationale en regionale belangen spelen in Europa een grotere rol. Die worden door 47 procent van de Europese orga­ni­sa­ties genoemd, tegenover 36 procent in andere regio’s.

Dat verschil is belang­rijk. Het laat zien dat de Europese discussie niet alleen over tech­ni­sche veilig­heid gaat. Steeds vaker wordt tech­no­logie ook gezien als onderdeel van econo­mi­sche weer­baar­heid. Wie volledig afhan­ke­lijk is van een leve­ran­cier voor essen­tiële software, cloud­ca­pa­ci­teit of data-infra­struc­tuur, loopt immers niet alleen een technisch risico. Die afhan­ke­lijk­heid kan ook gevolgen hebben voor prijzen, beschik­baar­heid, innovatie en de moge­lijk­heid om zelf­standig tech­no­lo­gi­sche keuzes te maken.

Open source geeft meer keuzevrijheid

Precies daar ligt volgens Grze­gor­zewska een belang­rijke rol voor open source. Wanneer de broncode beschik­baar is en meerdere partijen rond een tech­no­logie kunnen bouwen, onder­houden en onder­steunen, wordt het lastiger voor één leve­ran­cier om een complete tech­no­lo­gie­keten te contro­leren. Open stan­daarden en inter­o­pe­ra­bi­li­teit maken het daarnaast eenvou­diger om toepas­singen en infra­struc­turen met elkaar te combineren.

Dat betekent niet auto­ma­tisch dat orga­ni­sa­ties eenvoudig van leve­ran­cier kunnen wisselen. Ook rond open-sour­ce­pro­ducten kunnen commer­ciële ecosys­temen ontstaan waaruit over­stappen lastig is. Maar de uitgangs­po­sitie is anders: kennis en tech­no­logie zijn niet per definitie opge­sloten binnen één bedrijf.

Uit cijfers die Grze­gor­zewska in Berlijn liet zien, blijkt dat orga­ni­sa­ties die voordelen vooral ervaren rond infra­struc­tuur en appli­ca­ties. Zo zegt 63 procent van de Europese respon­denten dat open source zeer succesvol is geweest bij het verkrijgen van meer controle over cloud en infra­struc­tuur. Voor appli­ca­ties en porta­bi­lity ligt dat percen­tage op 59 procent. Bij data, loka­li­satie en porta­bi­lity gaat het om 57 procent. Ook inter­o­pe­ra­bi­li­teit scoort relatief hoog, met 56 procent. Meer onaf­han­ke­lijk­heid van leve­ran­ciers wordt door 54 procent genoemd.

Daarmee krijgt open source een andere positie dan enkele jaren geleden. Het wordt niet langer alleen ingezet omdat het technisch inte­res­sant of goedkoper kan zijn. Het wordt steeds vaker onderdeel van stra­te­gi­sche architectuurkeuzes.

Bij AI staat Europa nog aan het begin

Bij kunst­ma­tige intel­li­gentie is dat beeld minder uitge­sproken. Volgens de cijfers die Linux Foun­da­tion Europe presen­teerde, noemt 34 procent open source zeer succesvol bij het ontwik­kelen van eigen AI-systemen. Voor lokaal draaien van AI-modellen ligt dat op 33 procent. Een veel grotere groep spreekt hier van gedeel­te­lijk succes.

Dat verschil met bijvoor­beeld cloud­in­fra­struc­tuur is niet verras­send. Het open-source ecosys­teem rond cloud, Linux en contai­ner­tech­no­logie is inmiddels volwassen. Bij gene­ra­tieve AI verandert de tech­no­logie juist bijzonder snel.

Bovendien bestaat AI niet alleen uit software. Orga­ni­sa­ties zijn ook afhan­ke­lijk van modellen, trai­nings­data, reken­kracht en gespe­ci­a­li­seerde chips. Digitale soeve­rei­ni­teit rond AI vraagt daardoor om controle over een veel bredere technologieketen.

Juist daarom is het volgens Grze­gor­zewska belang­rijk dat Europa niet alleen kijkt naar waar tech­no­logie vandaan komt, maar vooral naar de vraag of orga­ni­sa­ties er daad­wer­ke­lijk controle over kunnen uitoefenen.

Economische waarde is veel groter dan licentiekosten

Een tweede belang­rijk punt in haar presen­tatie was de econo­mi­sche betekenis van open source. Daarbij verwees ze onder meer naar eerder onderzoek dat in opdracht van de Europese Commissie is uitge­voerd. Daaruit kwam naar voren dat in 2018 in Europa ongeveer 1 miljard euro in open source werd geïn­ves­teerd, terwijl de econo­mi­sche impact daarvan op tien­tallen miljarden euro’s werd geschat.

De onder­zoe­kers becij­ferden bovendien dat een toename van open-sour­ce­bij­dragen met 10 procent uitein­de­lijk een aanzien­lijke extra bijdrage aan het Europese bruto binnen­lands product zou kunnen leveren. Dat maakt duidelijk waarom het volgens Grze­gor­zewska te beperkt is om alleen naar licen­tie­kosten te kijken.

Veel van de digitale infra­struc­tuur waarop bedrijven dagelijks vertrouwen, is direct of indirect gebouwd op open-sour­ce­com­po­nenten. Denk aan Linux, databases, webser­vers, program­meer­talen, contai­ner­tech­no­logie en talloze libraries. Wanneer bedrijven al die tech­no­logie zelf zouden moeten ontwik­kelen, zouden de kosten zeer sterk toenemen.

Open source func­ti­o­neert daarmee voor een groot deel als gedeelde digitale infra­struc­tuur. Bedrijven concur­reren met toepas­singen en diensten die zij bovenop die infra­struc­tuur ontwik­kelen, terwijl de onder­lig­gende tech­no­logie geza­men­lijk kan worden gebouwd.

Ook interessant voor kleinere bedrijven

Een opvallend cijfer uit de presen­tatie betrof het verschil tussen grote en kleinere orga­ni­sa­ties. Bij kleinere en middel­grote onder­ne­mingen bleek de finan­ciële waarde van open source, afgezet tegen de omzet, veel groter dan bij grote bedrijven. In de getoonde cijfers kwam de jaar­lijkse besparing door het gebruik van open source bij kleinere bedrijven uit op 37,5 procent van de omzet. Bij grotere onder­ne­mingen ging het om 1,2 procent.

Bij deze percen­tages hoort wel een kant­te­ke­ning: de aantallen orga­ni­sa­ties waarop deze speci­fieke bere­ke­ning is gebaseerd zijn beperkt. Toch onder­strepen de cijfers volgens Linux Foun­da­tion Europe een belang­rijk effect. Open source kan kleinere bedrijven toegang geven tot tech­no­logie die zij zelf­standig nooit zouden kunnen ontwik­kelen of onderhouden.

Daarmee speelt open source ook een rol in het Europese inno­va­tie­be­leid. Wanneer startups en kleinere tech­no­lo­gie­be­drijven gebruik kunnen maken van dezelfde funda­men­tele tech­no­logie als veel grotere onder­ne­mingen, worden de kosten om nieuwe producten te ontwik­kelen lager.

Open source helpt ook bij het vinden van mensen

Daar komt nog een ander voordeel bij: personeel. Grze­gor­zewska liet cijfers zien waaruit blijkt dat 68 procent van de orga­ni­sa­ties aangeeft dat deelname aan open-sour­ce­pro­jecten helpt bij het aantrekken en behouden van technisch personeel. Dat is niet onbe­lang­rijk in een Europese markt waarin veel orga­ni­sa­ties moeite hebben om voldoende ontwik­ke­laars en andere tech­ni­sche speci­a­listen te vinden.

Open-sour­ce­pro­jecten bieden ontwik­ke­laars bovendien een omgeving waarin zij kennis kunnen opdoen die niet uitslui­tend bruikbaar is binnen één bedrijf. Wie bijdraagt aan bekende projecten bouwt daarmee ook een zichtbaar technisch profiel op.

Voor bedrijven kan actieve deelname aan zulke commu­ni­ties daardoor meer zijn dan ontwik­kel­werk. Het kan ook onderdeel zijn van recruit­ment, kennis­ont­wik­ke­ling en innovatie.

Alleen open-sourcesoftware gebruiken is niet genoeg

Een terug­ke­rend punt in de presen­tatie was echter dat open source geen auto­ma­ti­sche oplossing vormt voor digitale soeve­rei­ni­teit. Het instal­leren van open-source-software maakt een orga­ni­satie nog niet digitaal onaf­han­ke­lijk. Daarvoor is volgens Grze­gor­zewska meer nodig. Orga­ni­sa­ties moeten voldoende tech­ni­sche kennis in huis hebben, begrijpen hoe projecten worden ontwik­keld en waar mogelijk ook zelf bijdragen. Wie alleen software downloadt maar voor kennis, onderhoud en support volledig afhan­ke­lijk blijft van één andere partij, heeft de afhan­ke­lijk­heid immers vooral verplaatst.

Daarom is deelname aan open-sour­ce­com­mu­ni­ties belang­rijk. Bedrijven en overheden die tech­no­logie stra­te­gisch belang­rijk vinden, zouden niet alleen gebruiker moeten zijn, maar waar mogelijk ook bijdragen aan de ontwik­ke­ling en gover­nance ervan. Dat kan met soft­wa­re­code, maar bijvoor­beeld ook met docu­men­tatie, finan­ciële onder­steu­ning, testing of deelname aan standaardisatie.

Brussel wordt steeds belangrijker voor open source

Daarnaast heeft de open-sour­ce­we­reld volgens Grze­gor­zewska te maken met een nieuwe werke­lijk­heid: regel­ge­ving. Europese wetgeving rond cyber­se­cu­rity, software en AI heeft steeds vaker directe gevolgen voor ontwik­ke­laars en open-sour­ce­pro­jecten. Tijdens haar presen­tatie kwamen onder meer de Cyber Resi­lience Act en de AI Act aan bod.

Voor de open-sour­ce­ge­meen­schap betekent dit dat zij zich actiever met Europees beleid moet gaan bemoeien. Wachten totdat regel­ge­ving defi­ni­tief is vast­ge­steld en vervol­gens kijken wat de gevolgen zijn, is volgens Grze­gor­zewska niet voldoende. Beleids­ma­kers moeten tijdens de totstand­ko­ming van wetgeving begrijpen hoe open-sour­ce­ont­wik­ke­ling werkt en hoe de verant­woor­de­lijk­heden binnen zulke commu­ni­ties zijn verdeeld.

Daar ligt ook een belang­rijke taak voor orga­ni­sa­ties als Linux Foun­da­tion Europe: tech­ni­sche commu­ni­ties verbinden met de beleids­we­reld in Brussel. Die relatie werkt volgens haar beide kanten op. Beleids­ma­kers hebben kennis uit de open-sour­ce­we­reld nodig om werkbare wetgeving te kunnen maken. Tege­lij­ker­tijd moet de open-sour­ce­ge­meen­schap beter begrijpen dat Europese regels grote gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop projecten worden ontwik­keld en gebruikt.

Europa hoeft niet alles zelf te bouwen

De kern van Grzegorzewska’s verhaal in Berlijn was uitein­de­lijk genu­an­ceerder dan het inmiddels vaak gehoorde pleidooi om simpelweg meer Europese tech­no­logie te gebruiken. Digitale soeve­rei­ni­teit draait volgens haar niet om het volledig vervangen van Ameri­kaanse of Azia­ti­sche tech­no­logie door Europese alternatieven.

Europa maakt immers deel uit van een wereld­wijd tech­no­logie-ecosys­teem. Open source zelf is daarvan misschien wel het beste voorbeeld: grote projecten worden geza­men­lijk ontwik­keld door program­meurs en bedrijven uit tal van landen.

De uitdaging is daarom vooral om voldoende kennis en controle te behouden. Orga­ni­sa­ties moeten kunnen begrijpen welke tech­no­logie zij gebruiken, waar afhan­ke­lijk­heden ontstaan en welke alter­na­tieven beschik­baar zijn. Zij moeten in staat zijn systemen aan te passen, data te verplaatsen en waar nodig van tech­no­logie of leve­ran­cier te veran­deren. Open source kan daarvoor een belang­rijk fundament vormen.

Daarmee krijgt open source in Europa langzaam een andere status. Wat ooit vooral begon als een manier om geza­men­lijk software te ontwik­kelen, wordt steeds nadruk­ke­lijker onderdeel van een veel bredere stra­te­gi­sche discussie. Niet omdat Europa zich digitaal van de rest van de wereld moet afsluiten, maar juist omdat een open tech­no­lo­gisch ecosys­teem meer moge­lijk­heden biedt om zelf keuzes te blijven maken.

Pin It on Pinterest

Share This