Europa wil zijn afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese technologiebedrijven verkleinen. Met een pakket aan maatregelen rond cloud, AI, chips, open source en cybersecurity probeert de Europese Commissie organisaties meer controle te geven over hun digitale infrastructuur en gegevens. Volgens de Belgische technologiefederatie Beltug kan vooral de Cloud and AI Development Act, kortweg CADA, daarbij een belangrijke rol spelen. Maar dan moet de regelgeving wel eenvoudig, Europees geharmoniseerd en praktisch uitvoerbaar worden.
De afhankelijkheid van een beperkt aantal grote cloud- en softwareleveranciers is voor Europese bedrijven en overheden al langer een punt van zorg. Door de veranderde geopolitieke verhoudingen krijgt het onderwerp echter een nieuwe urgentie. Organisaties vragen zich steeds nadrukkelijker af wie toegang kan krijgen tot hun gegevens, onder welke wetgeving hun leveranciers vallen en of zij bij een conflict of politieke interventie toegang tot essentiële digitale diensten kunnen verliezen.
Beltug wijst daarbij onder meer op Amerikaanse wetgeving zoals de Cloud Act en FISA en op Chinese wetten die overheden onder bepaalde omstandigheden toegang kunnen geven tot gegevens. Ook de Belgische Nationale Veiligheidsstrategie erkent dat de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal clouddienstverleners een systeemrisico kan vormen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van gegevens.
Afhankelijkheid is ook een financieel vraagstuk
Naast juridische en geopolitieke risico’s speelt de financiële afhankelijkheid een steeds grotere rol. Beltug verwijst naar onderzoek van de Franse CIO-vereniging Cigref en onderzoeksbureau Astérès. Daaruit zou blijken dat jaarlijks ongeveer 264 miljard euro uit de Europese economie wegvloeit via software- en cloudtoepassingen. Ook zouden de prijzen van zakelijke clouddiensten gemiddeld met ongeveer 9 procent per jaar stijgen.
Voor organisaties is dat niet alleen een IT-probleem. Stijgende cloudkosten, beperkte onderhandelingsmacht en afhankelijkheid van technologie die moeilijk te vervangen is, komen steeds vaker op de agenda van directies en raden van bestuur terecht.
Volgens Beltug is het volledig uitsluiten van buitenlandse technologie geen realistische doelstelling. De uitdaging is vooral om afhankelijkheden zichtbaar te maken en bewust te beheersen. Organisaties moeten per toepassing, dataset en bedrijfsproces bepalen hoe groot het risico is, welke bescherming nodig is en of een overstap naar een andere leverancier mogelijk blijft.
Dat is in de praktijk een omvangrijke exercitie. Zelfs een relatief kleine organisatie gebruikt al snel tien tot vijftien clouddiensten. Grote bedrijven, universiteiten en overheden werken vaak met tientallen aanbieders. Iedere leverancier brengt eigen juridische, technische en operationele afhankelijkheden met zich mee.
Vier niveaus van digitale zekerheid
CADA vormt een belangrijk onderdeel van het bredere Europese Tech Sovereignty Package. Dat pakket bestaat verder uit onder meer de Chips Act 2.0, een Europese open-sourcestrategie, een routekaart voor digitalisering en AI in de energiesector en een herziening van de Cybersecurity Act.
Centraal in CADA staan vier zekerheidsniveaus voor cloud- en AI-diensten die bij publieke aanbestedingen kunnen worden gebruikt. In de samenvatting van Beltug loopt dat van een basisniveau waarbij gegevens binnen de Europese Unie blijven tot een hoogste niveau waarbij juridische, technische en operationele controle volledig in Europese handen moet liggen.
Het eerste niveau richt zich vooral op de locatie van gegevens. Een hoger niveau moet bescherming bieden tegen toegang op basis van wetgeving van buiten de Europese Unie. Vervolgens kan worden gekeken naar Europees eigendom en Europees beheer. Op het hoogste niveau mag er volgens het voorgestelde model geen relevante buitenlandse inmenging meer mogelijk zijn.
Daarbij gaat het niet alleen om de locatie van een datacenter of het hoofdkantoor van de leverancier. Ook de eigendomsstructuur, het personeel dat systemen beheert, de gebruikte software, onderaannemers en operationele processen kunnen deel uitmaken van de beoordeling. Diensten op de hogere niveaus zouden periodiek moeten worden geaudit en opgenomen in een centraal register.
Beltug ziet de vier niveaus als een nuttige manier om zogenaamde sovereignty washing tegen te gaan. Begrippen als ‘data in Europa’ of ‘made in Europe’ zeggen op zichzelf weinig over wie uiteindelijk juridische of operationele controle over een dienst heeft. Een toetsbaar raamwerk kan organisaties helpen om claims van leveranciers beter te beoordelen.
Overheidsinkoop kan de markt veranderen
De potentiële invloed van CADA reikt verder dan de overheid. Europese overheden besteden jaarlijks ongeveer 2.000 miljard euro aan diensten, werken en producten, goed voor circa 13,6 procent van het Europese bruto binnenlands product. Door bij aanbestedingen specifieke zekerheidsniveaus te eisen, kunnen zij leveranciers ertoe bewegen hun diensten te laten auditen en aanpassen.
Die ontwikkeling kan vervolgens doorsijpelen naar ziekenhuizen, universiteiten, nutsbedrijven en andere gereguleerde sectoren. Zodra gecertificeerde diensten beschikbaar komen, kunnen ook commerciële ondernemingen dezelfde eisen opnemen in hun inkoopbeleid.
“De hefboom is niet het label zelf, maar de marktvraag die het creëert”, stelt Beltug. De gedachte daarachter is dat Europese technologiebedrijven pas werkelijk kunnen groeien wanneer er voldoende vraag ontstaat naar controleerbare, soevereine diensten.
Gevaar van 27 verschillende uitvoeringen
Beltug ondersteunt de Europese ambitie, maar waarschuwt dat de uitvoering bepalend wordt voor het succes. De belangrijkste zorg is een gebrek aan harmonisatie.
De vier zekerheidsniveaus worden weliswaar Europees vastgelegd, maar lidstaten zouden mogelijk zelf kunnen bepalen welk niveau voor een bepaalde overheidsdienst of toepassing vereist is. Daardoor kan een leverancier in België voor een toepassing aan niveau twee moeten voldoen, terwijl dezelfde toepassing in Duitsland onder niveau drie valt.
Voor middelgrote Europese technologiebedrijven kan dat grote gevolgen hebben. Wanneer zij per lidstaat nieuwe beoordelingen, audits of technische aanpassingen moeten doorlopen, verdwijnen de schaalvoordelen die de Europese interne markt juist zou moeten bieden.
Beltug pleit daarom voor één Europees systeem, een centraal register en wederzijdse erkenning van audits. Zonder een geharmoniseerde uitvoering dreigt CADA uit te monden in 27 nationale varianten van hetzelfde beleid.
Ook de reikwijdte van de wet is nog onvoldoende duidelijk. De term ‘cloud’ kan betrekking hebben op infrastructuur, platformdiensten, zakelijke software, beveiligingsdiensten en hybride of lokaal beheerde omgevingen. Omdat AI bovendien steeds vaker in bestaande applicaties wordt geïntegreerd, wordt het lastiger om scherp af te bakenen welke producten en diensten onder CADA vallen.
VUB wil opnieuw bewust kunnen kiezen
Karin Voets, CIO van de Vrije Universiteit Brussel, ziet de Europese plannen als een mogelijkheid om de positie van afnemers te versterken. Grote cloudbedrijven zijn volgens haar zo dominant geworden dat Europese organisaties nauwelijks nog invloed kunnen uitoefenen tijdens contractonderhandelingen.
“Wat je als CIO wilt, is bewust keuzes kunnen maken over waar je data en workloads zich bevinden”, zei Voets tijdens een webinar over dit thema. “Dat woord ‘bewust’ was er een beetje uitgegaan.”
Voor een universiteit is een risicogebaseerde aanpak belangrijk. Publiek toegankelijke onderzoeksgegevens vragen om een ander beschermingsniveau dan gevoelige onderzoeksdata, persoonsgegevens of informatie die op een private cloud wordt opgeslagen. Wanneer leveranciers duidelijk aan een bepaald zekerheidsniveau zijn gekoppeld, kan een organisatie haar datasets en toepassingen eenvoudiger aan passende oplossingen verbinden.
Voets onderschrijft tegelijk de oproep tot eenvoud en eenheid. Europa staat bekend om zijn vermogen om regels op te stellen, maar moet die regelgeving volgens haar ook omzetten in praktische hulpmiddelen waarmee CIO’s daadwerkelijk kunnen werken.
Als voorbeeld noemt zij de Belgische aanpak van NIS2. De Europese richtlijn is in België vertaald naar nationale wetgeving, terwijl het Centre for Cybersecurity Belgium met het CyberFundamentals Framework concrete handvatten biedt voor de uitvoering. Een vergelijkbare aanpak op Europees niveau zou de toepasbaarheid van CADA kunnen vergroten.
AI kan nieuwe afhankelijkheden creëren
De discussie over techsoevereiniteit gaat inmiddels verder dan cloudinfrastructuur. Cloud en AI raken steeds nauwer met elkaar verweven. De keuze voor een AI-model kan daardoor ook een keuze voor een bepaalde infrastructuurleverancier worden.
Daarnaast wordt AI steeds vaker standaard ingebouwd in zakelijke applicaties. Dat kan bestaande vendor lock-in versterken. Vooral de opkomst van AI-agents verdient volgens Voets aandacht. Wanneer zulke agents zelfstandig taken uitvoeren binnen kritieke bedrijfsprocessen, ontstaat een nieuwe vorm van afhankelijkheid.
Organisaties zouden daarom niet alleen moeten beoordelen welke medewerkers toegang hebben tot gevoelige processen, maar ook welke AI-systemen daarbinnen beslissingen nemen of werkzaamheden uitvoeren. Zij moeten weten wie de agent beheert, welke gegevens worden gebruikt en of de werking ervan controleerbaar blijft.
Ook de energie- en watervraag van AI-infrastructuur speelt een rol. Europa moet volgens Voets voorkomen dat de uitbreiding van AI-capaciteit ten koste gaat van de behoeften van huishoudens en lokale gemeenschappen. Digitale soevereiniteit draait daarmee niet alleen om eigendom en data, maar ook om de fysieke infrastructuur en middelen die voor digitalisering nodig zijn.
Beslissende fase
De voorstellen bevinden zich nog in een vroege fase. Beltug houdt rekening met een wetgevingsproces van ongeveer achttien maanden, waarna de praktische invoering nog moet beginnen. Voor verschillende onderdelen van het Europese pakket wordt de eerste merkbare impact vanaf 2027 of 2028 verwacht.
Voor Beltug is de richting duidelijk: de afhankelijkheid van niet-Europese technologie kan niet van de ene op de andere dag verdwijnen, maar Europa kan organisaties wel meer controle, keuzevrijheid en onderhandelingsmacht geven.
Daarvoor moet CADA meer worden dan een verzameling nieuwe labels en procedures. De zekerheidsniveaus moeten aantoonbare bescherming bieden, audits moeten actueel blijven en de toepassing moet in alle lidstaten zo veel mogelijk gelijk zijn. Alleen dan kan het Europese techsoevereiniteitspakket uitgroeien van beleidsambitie tot een bruikbaar instrument voor bedrijven en overheden.
