Frank Beerlage van Cloudera Benelux: “AI begint niet bij het model, maar bij de datalaag”

7 juli 2026

De verlei­ding is groot. Bedrijven, IT-verant­woor­de­lijken en busi­nes­s­af­de­lingen willen vandaag allemaal “iets met AI”. Daarbij gaat de discussie vaak meteen over de keuze van het model. Wordt het ChatGPT, Claude, Gemini of Copilot? Of kiest men toch beter voor een open source-model? Volgens Frank Beerlage, directeur van Cloudera in de Benelux, is dat echter niet de juiste eerste vraag.

Wie AI ernstig wil inzetten, moet niet beginnen bij het model, maar bij de data. Waar bevindt die data zich? Wie heeft er toegang toe? Is de kwaliteit voldoende? Kan de orga­ni­satie data verplaatsen wanneer dat juridisch, technisch of finan­cieel nodig blijkt? En kan data die verspreid staat over eigen data­cen­ters, colo­ca­tie­om­ge­vingen, Europese cloud­pro­vi­ders en hypers­ca­lers toch beheerd worden alsof het één samen­han­gend geheel is?

“Het begint met de archi­tec­tuur, niet met de modellen”, zegt Beerlage in een gesprek met Belgium Cloud. “De discussie moet gaan over waar de data staat en wie eigenaar is van die data.”

De AI-realiteit komt dichterbij

Frank Beerlage

Volgens Beerlage staan veel orga­ni­sa­ties op een kantel­punt. De eerste golf van gene­ra­tieve AI draaide vooral om expe­ri­men­teren. Mede­wer­kers probeerden nieuwe tools uit, afde­lingen startten pilots en mana­ge­ment­teams zagen vooral hoe snel nieuwe moge­lijk­heden beschik­baar kwamen. Maar nu steeds meer AI-projecten richting productie evolueren, worden ook de onder­lig­gende problemen duidelijker.

Beerlage vat die risico’s samen in drie woorden: onbe­trouw­baar, onbe­heers­baar en onbe­taal­baar. Niet omdat AI op zich geen waarde heeft, benadrukt hij, maar omdat de datalaag bij veel orga­ni­sa­ties nog niet klaar is voor groot­schalig gebruik. “Als we op deze manier doorgaan met AI, dan wordt AI onbe­trouw­baar, onbe­heers­baar en onbe­taal­baar”, stelt hij.

Die analyse sluit aan bij de cijfers uit Cloudera’s Data Readiness Index 2026. Daaruit blijkt dat veel orga­ni­sa­ties wel overtuigd zijn van hun data­stra­tegie, maar in de praktijk nog met stevige beper­kingen kampen. Zo zegt 85 procent van de onder­vraagde IT-leiders dat hun data­stra­tegie duidelijk is gede­fi­ni­eerd. Tegelijk geeft 79 procent aan dat data-initi­a­tieven worden afgeremd omdat ze niet bij alle nodige data in verschil­lende omge­vingen kunnen. Minder dan één op de vijf respon­denten zegt bovendien dat alle data volledig wordt beheerd en onder gover­nance valt.

Het probleem zit onder de motorkap

Aan de voorkant lijkt AI vaak eenvoudig. Een gebruiker stelt een vraag en krijgt vrijwel meteen een antwoord. Maar net die eenvoud kan mislei­dend zijn. Een AI-model kan een over­tui­gend antwoord geven, ook wanneer de onder­lig­gende data onvol­ledig, verouderd of slecht beheerd is. Dat maakt AI in bedrijfs­om­ge­vingen risicovol, zeker wanneer mede­wer­kers gevoelige bedrijfs­in­for­matie in publieke AI-diensten invoeren.

Beerlage verwijst daarbij naar het klassieke principe “garbage in, garbage out”. Alleen wordt dat principe in het AI-tijdperk gevaar­lijker. De output ziet er vaak zo profes­si­o­neel en geloof­waardig uit dat gebrui­kers geneigd zijn het antwoord te vertrouwen, zonder nog goed te contro­leren waarop het gebaseerd is.

“Wij vuren een vraag af en krijgen een antwoord. Dan denken we dat het antwoord goed is”, zegt Beerlage. “Sterker nog: we kunnen vaak niet meer contro­leren wat er precies gebeurt. Welke data is gebruikt? Welke logica is toegepast?”

Daarmee komt de discussie auto­ma­tisch uit bij gover­nance, security en compli­ance. Een orga­ni­satie moet kunnen bepalen welke gebruiker of welke AI-agent toegang heeft tot welke data. Een mede­werker van finance mag andere infor­matie zien dan iemand van HR. Een mede­werker in België kan andere rechten hebben dan een collega in Nederland. En wanneer AI-agents zelf­standig taken uitvoeren of andere agents aansturen, wordt die rech­ten­struc­tuur nog belangrijker.

Volgens Beerlage mag dit niet achteraf worden opgelost. Het moet ingebouwd zijn in de datalaag zelf. De vraag is dus niet alleen of een orga­ni­satie AI kan inzetten, maar vooral of zij dat gecon­tro­leerd, herleid­baar en veilig kan doen.

Eén datalaag over meerdere werelden

Een belang­rijk punt in Beerlage’s betoog is dat de discussie over data vaak te zwart-wit wordt gevoerd. Het gaat niet om de keuze tussen alles on-premise of alles in de publieke cloud. In de praktijk staat data vandaag op allerlei plaatsen: in eigen data­cen­ters, bij colo­ca­tie­par­tijen, in private clouds, bij partners, bij Europese cloud­pro­vi­ders en bij Ameri­kaanse hyperscalers.

Die hybride realiteit zal niet verdwijnen. Cloudom­ge­vingen blijven nuttig voor snelheid, flexi­bi­li­teit en expe­ri­menten. Maar orga­ni­sa­ties moeten vermijden dat hun data-archi­tec­tuur zo afhan­ke­lijk wordt van één omgeving dat ze later nauwe­lijks nog kunnen bewegen.

“We willen ook niet alles terug naar binnen halen”, zegt Beerlage. “Eerst hadden we Big Data met alles on-premise. Daarna kwam de tweede golf: alles naar de cloud. Die werelden moeten nu samenkomen.”

Daarvoor is volgens hem een mana­ge­ment­laag nodig die over al die omge­vingen heen kan kijken. Niet als extra rappor­ta­ge­laag, maar als fundament voor gover­nance, security, data­toe­gang, data­ver­plaat­sing en AI. Orga­ni­sa­ties moeten data kunnen inzetten waar dat het meest logisch is: lokaal, in een private omgeving, bij een Europese cloud­pro­vider of bij een hypers­caler. Maar ze moeten daarbij wel controle houden over de data, de toegangs­rechten en de kosten.

Van modelkeuze naar datakeuze

In veel AI-discus­sies gaat opvallend veel aandacht naar de vraag welk model het beste is. Volgens Beerlage is dat begrij­pe­lijk, maar te beperkt. Niet elke toepas­sing heeft het krach­tigste model nodig. Soms volstaat een kleiner model. In andere gevallen is een specifiek open source-model “goed genoeg”, zeker wanneer het dichter bij de eigen data draait en beter beheers­baar is.

“Je hebt niet altijd een Rolls-Royce nodig om naar de super­markt te gaan”, vat hij samen.

Dat betekent niet dat grote commer­ciële modellen geen waarde hebben. Ze kunnen bijzonder nuttig zijn voor expe­ri­menten, algemene taken of speci­fieke use cases. Maar bij bedrijfs­kri­ti­sche processen moet een orga­ni­satie kunnen bepalen welke data het model ziet, waar het model draait, hoe de output tot stand komt en wat het gebruik kost. Zeker bij een uitrol naar honderden of duizenden mede­wer­kers kunnen token­kosten snel oplopen.

Beerlage verwijst naar een voorbeeld van een wealth­ma­na­ge­ment­or­ga­ni­satie met een extern gehoste AI-assistent. Tijdens de pilotfase bleven de kosten relatief beperkt. Maar bij een bredere uitrol naar meer dan duizend gebrui­kers zou het jaar­lijkse token­ge­bruik oplopen tot miljoenen. Door verge­lijk­bare func­ti­o­na­li­teit in een eigen omgeving te draaien, vielen die token­kosten weg en werden de totale kosten aanzien­lijk lager.

Daarmee wordt AI niet alleen een tech­no­lo­gisch vraagstuk, maar ook een thema voor de CFO. In een pilot blijven de kosten vaak over­zich­te­lijk. In productie kan dat snel veran­deren. “Zoals veel orga­ni­sa­ties AI tot nu toe aanpakken, is de kans groot dat de kosten enorm zullen oplopen”, zegt Beerlage. “Je moet als orga­ni­satie heel goed nadenken hoe je hiermee omgaat, anders valt de kosten-baten­ana­lyse snel tegen.”

Niet stoppen met AI, maar volwassen worden

De boodschap van Beerlage is niet dat orga­ni­sa­ties moeten stoppen met AI. Inte­gen­deel. Hij ziet veel waarde in AI voor uiteen­lo­pende toepas­singen: van klan­ten­ser­vice tot pensi­oen­in­for­matie, van tele­com­net­werken tot risi­co­ana­lyse en know-your-custo­mer­pro­cessen. Maar hij waar­schuwt wel voor een te snelle sprong van expe­ri­ment naar productie zonder volwassen datalaag.

Een proof of concept kan snel worden opgezet in een cloudom­ge­ving. Dat is vaak ook logisch. Maar zodra een orga­ni­satie AI wil open­stellen voor duizenden mede­wer­kers, klanten of partners, verandert het verhaal. Dan moet vooraf duidelijk zijn hoe data wordt beheerd, hoe toegangs­rechten worden toegepast, hoe prompts worden vast­ge­legd, hoe modellen toegang krijgen tot data en hoe de omgeving later kan worden aangepast of verplaatst.

“AI voor een proof of concept kunnen we morgen doen”, zegt Beerlage. “Maar willen we AI voor de hele orga­ni­satie, dan moeten we echt een archi­tec­tuur bedenken.”

Die archi­tec­tuur moet niet alleen technisch doordacht zijn, maar ook autonomie bieden. Orga­ni­sa­ties willen kunnen kiezen. Ze willen kunnen werken met Europese cloud­pro­vi­ders, private clouds, colo­ca­tie­om­ge­vingen, hypers­ca­lers of eigen infra­struc­tuur. Maar ze willen niet dat die keuze achteraf een fuik blijkt te zijn.

Data readiness wordt een bestuursvraagstuk

De Data Readiness Index van Cloudera toont dat veel orga­ni­sa­ties de urgentie voelen, maar nog niet volledig klaar zijn. In het onderzoek worden onder meer data­kwa­li­teit, oplopende kosten en gebrek­kige inte­gratie in bestaande workflows genoemd als redenen waarom AI-projecten minder rendement opleveren dan gehoopt. Ook datasilo’s, complexe toegangs­pro­cessen en beperkte zicht­baar­heid op waar data zich bevindt, blijven grote struikelblokken.

Voor Beerlage betekent dit dat data readiness niet langer een intern IT-project kan zijn. Het hoort op de bestuurs­tafel thuis. Zeker bij banken, pensi­oen­fondsen, overheden, zorg­in­stel­lingen en andere data­ge­dreven orga­ni­sa­ties is data geen bijzaak, maar de kern van de werking.

“Data is het aller­be­lang­rijkste wat we hebben”, zegt hij. “Dus moeten we ervoor zorgen dat we daar op de juiste manier mee omgaan.”

Dat vraagt ook om een andere manier van denken. Niet: welk AI-model kopen we? Maar wel: welke data hebben we, waar staat die, hoe betrouw­baar is die, wie mag erbij, hoe kunnen we die verplaatsen en hoe zorgen we ervoor dat AI op een veilige en betaal­bare manier waarde toevoegt?

Voorbij de hype

AI zal voorlopig hoog op de agenda blijven staan. De tech­no­logie ontwik­kelt snel, de toepas­singen worden concreter en de druk vanuit business en bestuur neemt toe. Maar net daarom is volgens Beerlage een pas op de plaats nodig. Niet om innovatie af te remmen, maar om te vermijden dat orga­ni­sa­ties vastlopen zodra AI echt op grote schaal wordt ingezet.

“Een pas op de plaats is geen stap achteruit”, zegt hij. “Het is de tijd nemen om na te denken over wat we aan het doen zijn.”

AI gaat dus niet alleen over modellen, prompts en agents. De echte stra­te­gi­sche vraag ligt dieper. Wie AI betrouw­baar, beheers­baar en betaal­baar wil maken, moet beginnen bij de datalaag. Pas wanneer orga­ni­sa­ties hun data over alle omge­vingen heen kunnen beheren alsof het één geheel is, ontstaat de basis om AI verant­woord op te schalen.

Pin It on Pinterest

Share This