Real data is geen kostenpost, maar een verdienmodel

14 augustus 2026

De discussie over duurzame IT, cloud­ge­bruik en kunst­ma­tige intel­li­gentie gaat nog te vaak over ambities, prognoses en beloften. Orga­ni­sa­ties zeggen dat hun cloudom­ge­ving efficiënt is, dat hun data­center duurzaam opereert en dat AI bijdraagt aan produc­ti­vi­teit. Maar zodra we vragen hoeveel energie een appli­catie, workload of AI-model werkelijk verbruikt, hoeveel capa­ci­teit daad­wer­ke­lijk wordt benut en welke bedrijfspres­tatie daar­te­gen­over staat, blijft het opvallend vaak stil.

We beschikken over steeds meer dash­boards, rappor­tages en theo­re­ti­sche reken­mo­dellen. Toch ontbreekt het orga­ni­sa­ties regel­matig aan het belang­rijkste: feite­lijke, herleid­bare en veri­fi­eer­bare data over de relatie tussen energie, infra­struc­tuur, software, workloads, gebrui­kers en performance.

Juist daar ligt volgens mij een enorme econo­mi­sche kans.

Real data insight moet niet uitslui­tend worden gezien als een instru­ment voor duur­zaam­heid, compli­ance of rappor­tage. Het is in de eerste plaats een finan­cieel sturings­in­stru­ment. Goed inzicht maakt zichtbaar waar cloud­ca­pa­ci­teit, AI-infra­struc­tuur, soft­wa­re­li­cen­ties en hardware onvol­doende worden benut. Het helpt orga­ni­sa­ties om verspil­ling weg te nemen, de econo­mi­sche levens­duur van bestaande middelen te verlengen en inves­te­ringen beter te onderbouwen.

En dat alles met behoud van de perfor­mance die de orga­ni­satie werkelijk nodig heeft.

Ik durf daarom de volgende stelling aan:

De kosten van real data insight blijven ruim­schoots onder de aantoon­bare bespa­ringen die met dat inzicht kunnen worden gerealiseerd.

Van aannames naar controleerbaar bewijs

Een duur­zaam­heids­claim heeft pas waarde wanneer duidelijk is hoe er is gemeten, wat binnen de meting is meege­nomen en of de uitkomst door een onaf­han­ke­lijke partij kan worden gereproduceerd.

Dat geldt niet alleen voor ener­gie­ver­bruik, CO₂-uitstoot en water­ge­bruik. Het geldt net zo goed voor cloud­kosten, AI-kosten, soft­wa­re­ge­bruik, server­ca­pa­ci­teit en workload-performance.

PUE kan bijvoor­beeld inzicht geven in de verhou­ding tussen het totale ener­gie­ver­bruik van een data­center en het ener­gie­ver­bruik van de IT-appa­ra­tuur. Maar PUE vertelt niet of die IT-appa­ra­tuur ook daad­wer­ke­lijk nuttig werk verricht. Een data­center kan een uitste­kende PUE hebben, terwijl een aanzien­lijk deel van de servers nauwe­lijks wordt benut.

WUE kan iets zeggen over water­ge­bruik, maar alleen wanneer de meet­grenzen, lokale omstan­dig­heden en gebruikte defi­ni­ties helder zijn. En ook een lage WUE zegt nog niets over de daad­wer­ke­lijke toege­voegde waarde van de uitge­voerde workloads.

Daarom moet infra­struc­tuur­data worden gekoppeld aan workload- en perfor­man­ce­data. Indi­ca­toren zoals de Server Idle Coef­fi­cient, Perfor­mance per Watt en de verhou­ding tussen gebruikte en beschik­bare capa­ci­teit geven een veel volle­diger beeld. Zij maken zichtbaar hoeveel energie, hardware en software nodig zijn voor een concrete dienst, appli­catie, gebruiker, trans­actie of AI-taak.

Dat is het verschil tussen meten om te rappor­teren en meten om te sturen.

Meer IT is niet automatisch betere IT

Binnen veel orga­ni­sa­ties is jarenlang vanuit zekerheid gere­de­neerd. Wanneer twijfel bestond over de benodigde capa­ci­teit, werd extra capa­ci­teit toege­voegd. Meer CPU, meer geheugen, meer opslag, meer cloud­re­sources en meer licenties moesten voorkomen dat de perfor­mance onder druk kwam te staan.

Dat is begrij­pe­lijk. Geen bestuurder of IT-manager wil verant­woor­de­lijk zijn voor een storing omdat de infra­struc­tuur te krap is ingericht.

Maar die veilig­heids­marges stapelen zich op. Een appli­ca­tie­team vraagt extra capa­ci­teit, de IT-afdeling bouwt daar een marge bovenop en de cloud­le­ve­ran­cier adviseert vervol­gens een confi­gu­ratie die ook toekom­stige groei moet kunnen opvangen. Het gevolg is dat orga­ni­sa­ties soms jarenlang betalen voor capa­ci­teit die nauwe­lijks wordt gebruikt.

Over­di­men­si­o­ne­ring is daardoor een struc­tu­reel onderdeel van veel IT-omge­vingen geworden.

Hetzelfde geldt voor hardware. Servers worden vervangen omdat zij een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet omdat met real data is aange­toond dat zij technisch of econo­misch niet meer voldoen. Soft­wa­re­li­cen­ties worden verlengd omdat zij eenmaal aan een gebruiker, server of virtuele machine zijn toege­wezen. Cloud­in­stances blijven draaien omdat niemand met zekerheid weet of zij nog nodig zijn. Opslag groeit door omdat het goedkoper en eenvou­diger lijkt om capa­ci­teit toe te voegen dan om de oorzaak van die groei te onderzoeken.

Zonder inzicht wordt zekerheid gekocht met verspilling.

Met real insight ontstaat een andere bena­de­ring. Dan wordt niet langer gevraagd hoeveel infra­struc­tuur beschik­baar is, maar hoeveel daarvan nodig is om de gewenste dienst­ver­le­ning en perfor­mance aantoon­baar te ondersteunen.

Minder cloud spend door inzicht per workload

De cloud heeft IT flexi­beler en schaal­baarder gemaakt, maar heeft kosten ook minder tastbaar gemaakt. Waar bij fysieke infra­struc­tuur vooraf een inves­te­rings­be­sluit nodig was, kunnen cloud­re­sources met enkele klikken worden toege­voegd. De kosten verschijnen vervol­gens verspreid over accounts, afde­lingen, projecten, appli­ca­ties en abonnementsvormen.

Een cloud­fac­tuur vertelt hoeveel er is afgenomen. Zij vertelt niet auto­ma­tisch of die afname nood­za­ke­lijk, efficiënt of bedrijfs­eco­no­misch verant­woord was.

Real data insight kan onder andere zichtbaar maken:

  • welke cloud­in­stances struc­tu­reel onder­benut zijn;
  • welke omge­vingen buiten gebruiks­tijden actief blijven;
  • waar opslag wordt aange­houden zonder aantoon­baar gebruik;
  • welke workloads naar een kleinere of andere confi­gu­ratie kunnen;
  • waar gere­ser­veerde capa­ci­teit niet aansluit bij het werke­lijke gebruik;
  • welke appli­ca­ties onnodig veel data­ver­keer, reken­kracht of geheugen vragen;
  • waar dezelfde func­ti­o­na­li­teit door meerdere cloud­ser­vices wordt geleverd;
  • welke capa­ci­teit lokaal, privaat of op dedicated infra­struc­tuur voor­de­liger kan worden uitgevoerd.

Daarbij is het essen­tieel dat kosten­re­ductie niet los wordt gezien van perfor­mance. Een cloudom­ge­ving goedkoper maken door simpelweg capa­ci­teit te verwij­deren is geen opti­ma­li­satie. Het is pas een verbe­te­ring wanneer de gewenste beschik­baar­heid, respons­tijd, betrouw­baar­heid en gebrui­ker­s­er­va­ring aantoon­baar behouden blijven.

De juiste vraag is daarom niet: Hoe kunnen we minder cloud gebruiken?

De juiste vraag is: Welke cloud­ca­pa­ci­teit draagt aantoon­baar bij aan de gewenste prestatie en waarvoor betalen we zonder voldoende toege­voegde waarde?

AI spend dreigt de volgende grote kostenpost te worden

Bij AI zien we dezelfde ontwik­ke­ling, maar in een veel hoger tempo.

Orga­ni­sa­ties expe­ri­men­teren met gene­ra­tieve AI, enterprise-LLM’s, RAG-oplos­singen, inference, fine-tuning en private AI-omge­vingen. Daarbij worden GPU-capa­ci­teit, tokens, modellen, datasets, soft­wa­re­plat­forms en speci­a­lis­ti­sche infra­struc­tuur ingekocht zonder dat altijd duidelijk is wat een afzon­der­lijke AI-workload werkelijk kost.

Ook hier dreigt overdimensionering.

Niet iedere toepas­sing heeft het grootste model nodig. Niet iedere workload hoeft continu over GPU-capa­ci­teit te beschikken. Niet ieder model hoeft opnieuw te worden getraind. En niet iedere AI-vraag hoeft in een publieke cloud te worden verwerkt.

Om AI-kosten werkelijk te beheersen, moet per model, toepas­sing of taak inzich­te­lijk worden gemaakt:

  • hoeveel reken­kracht wordt gebruikt;
  • hoeveel energie daarvoor nodig is;
  • welke GPU- en geheu­gen­ca­pa­ci­teit daad­wer­ke­lijk wordt benut;
  • hoeveel tokens worden verwerkt;
  • welke respons­tijd en nauw­keu­rig­heid worden behaald;
  • hoeveel capa­ci­teit tijdens pieken en daluren nodig is;
  • of een kleiner of gespe­ci­a­li­seerd model dezelfde taak kan uitvoeren;
  • of inference, fine-tuning of RAG doel­ma­tiger kan worden ingericht;
  • welke kosten aan een gebruiker, afdeling, klant of bedrijfs­proces kunnen worden toegerekend;
  • welke zakelijke waarde tegenover die kosten staat.

Pas dan ontstaat AI-gover­nance die verder­gaat dan algemene beleidsregels.

AI spend kan alleen worden beheerst wanneer kosten, ener­gie­ver­bruik en perfor­mance op worklo­ad­ni­veau aan elkaar worden gekoppeld. Zonder die koppeling weten orga­ni­sa­ties wel wat zij maan­de­lijks betalen, maar niet waarvoor zij betalen en of dezelfde prestatie effi­ci­ënter kan worden geleverd.

De miljar­den­in­ves­te­ringen in AI-infra­struc­tuur zullen uitein­de­lijk moeten worden terug­ver­diend. Cloud‑, chip- en soft­wa­re­le­ve­ran­ciers zullen die kosten door­be­re­kenen. Orga­ni­sa­ties die hun eigen gebruik niet kunnen meten, hebben in onder­han­de­lingen nauwe­lijks een feite­lijke uitgangspositie.

Real data is daarmee ook een vorm van econo­mi­sche onafhankelijkheid.

Minder softwarekosten door werkelijk gebruik te meten

Soft­wa­rekosten vormen binnen veel orga­ni­sa­ties een vrijwel auto­ma­tisch terug­ke­rende uitga­ven­stroom. Licenties worden aange­schaft, toege­wezen en jaarlijks verlengd. Controle vindt vaak plaats op basis van contracten en aantallen accounts, niet op basis van werkelijk en func­ti­o­neel gebruik.

Daardoor blijven licenties bestaan voor mede­wer­kers die uit dienst zijn, voor functies die nauwe­lijks worden gebruikt of voor appli­ca­ties die elkaar geheel of gedeel­te­lijk overlappen.

Ook virtualisatie‑, database‑, bevei­li­gings- en beheer­soft­ware kan gekoppeld zijn aan het aantal gebrui­kers, proces­sors, cores, virtuele machines of servers. Over­ca­pa­ci­teit in de infra­struc­tuur leidt dan niet alleen tot hogere hardware- en ener­gie­kosten, maar ook tot hogere licentiekosten.

Real insight maakt deze stapeling zichtbaar.

Een onge­bruikte server kost immers niet alleen stroom. Deze kan ook kosten veroor­zaken voor opslag, back-up, moni­to­ring, bevei­li­ging, beheer en soft­wa­re­li­cen­ties. Eén technisch inef­fi­ci­ënte keuze kan daardoor op meerdere kosten­ni­veaus doorwerken.

Door feitelijk gebruik te koppelen aan contract- en licen­tie­ge­ge­vens ontstaat ruimte om licenties terug te nemen, abon­ne­menten te verkleinen, appli­ca­ties te conso­li­deren en contract­voor­waarden beter af te stemmen op de werke­lijke behoefte.

Hardware beter benutten en langer gebruiken

De meest duurzame server is niet auto­ma­tisch de nieuwste server. In veel gevallen is het de server die al is gepro­du­ceerd, nog goed func­ti­o­neert en aantoon­baar voldoende perfor­mance levert voor de toege­wezen workload.

Vervan­ging op basis van leeftijd alleen kan leiden tot onnodige inves­te­ringen, extra mate­ri­aal­ge­bruik en nieuwe emissies in de produc­tie­keten. Tege­lij­ker­tijd is onbeperkt door­ge­bruiken evenmin verstandig. Oudere hardware kan minder energie-efficiënt zijn, een groter storings­ri­sico hebben of onvol­doende onder­steu­ning bieden.

De beslis­sing moet daarom op real data worden gebaseerd.

Wanneer ener­gie­ver­bruik, ther­mi­sche belasting, tech­ni­sche conditie, benutting en workload-perfor­mance geza­men­lijk worden gemeten, kan veel nauw­keu­riger worden bepaald of hardware:

  • nog doelmatig kan blijven functioneren;
  • voor een lichtere workload kan worden ingezet;
  • gecon­so­li­deerd kan worden;
  • technisch moet worden aangepast;
  • of aantoon­baar aan vervan­ging toe is.

Dat verlengt waar mogelijk de econo­mi­sche levens­duur, zonder dat beschik­baar­heid of perfor­mance onnodig in gevaar wordt gebracht.

Voor AI-infra­struc­tuur wordt dit onder­scheid nog belang­rijker. De fysieke infra­struc­tuur van een data­center kan een levens­duur van vijftien tot twintig jaar hebben, terwijl GPU’s en andere acce­le­ra­tors vaak een veel kortere econo­mi­sche cyclus kennen. Door infra­struc­tuur, koeling, ener­gie­voor­zie­ning, compute en software als afzon­der­lijke lagen te benaderen, kunnen deze compo­nenten volgens hun eigen levens­duur worden gefi­nan­cierd, gebruikt en vervangen.

Daarmee wordt voorkomen dat een volledige infra­struc­tuur verouderd wordt verklaard omdat één tech­no­lo­gie­laag aan vervan­ging toe is.

Modu­la­ri­teit en meet­baar­heid verlagen zo het risico op stranded investments.

Van dashboard naar financieel stuurinstrument

Veel orga­ni­sa­ties beschikken al over moni­to­ring. Toch leidt moni­to­ring niet auto­ma­tisch tot besparing.

Een dashboard dat alleen laat zien hoeveel energie, cloud­ca­pa­ci­teit of GPU-vermogen wordt gebruikt, blijft beschrij­vend. De werke­lijke waarde ontstaat wanneer data uit verschil­lende lagen met elkaar wordt verbonden:

  • fysieke infra­struc­tuur;
  • servers, GPU’s, opslag en netwerk;
  • hyper­vi­sors en virtuele machines;
  • appli­ca­ties en workloads;
  • gebrui­kers en transacties;
  • energie, koeling en ther­mi­sche omstandigheden;
  • cloud‑, software- en beheerkosten;
  • servi­ce­le­vels en performance.

Dan kan worden vast­ge­steld welke tech­ni­sche middelen nodig zijn voor een concreet bedrijfsresultaat.

Zirrow moet daarom niet uitslui­tend worden gezien als een dashboard of moni­to­rings­op­los­sing. Het is de real-data- en bewijs­laag waarmee orga­ni­sa­ties de relatie tussen vermogen, perfor­mance, capa­ci­teit, kosten en duur­zaam­heid zichtbaar kunnen maken.

Niet alleen achteraf in een rappor­tage, maar realtime en op een niveau waarop daad­wer­ke­lijk kan worden bijgestuurd.

Dat maakt voor­spel­lende opti­ma­li­satie mogelijk. Niet wachten totdat capa­ci­teit tekort­schiet of kosten uit de hand lopen, maar tijdig herkennen waar inef­fi­ci­ëntie, piek­be­las­ting, over­di­men­si­o­ne­ring of verslech­te­rende perfor­mance ontstaat.

Geen performanceverlies als randvoorwaarde

Kosten­be­spa­ring mag nooit een doel op zichzelf worden. IT onder­steunt zorg, finan­ciële dienst­ver­le­ning, overheid, industrie, logistiek en tal van andere kritieke processen. Vermin­derde perfor­mance kan directe gevolgen hebben voor mede­wer­kers, klanten en bedrijfscontinuïteit.

Daarom moet iedere opti­ma­li­satie worden getoetst aan vooraf vast­ge­stelde prestatiecriteria.

Het verdien­model is niet gebaseerd op minder IT tegen elke prijs. Het is gebaseerd op het leveren van dezelfde of een betere prestatie met minder verspilling.

Dat betekent:

Smart Power & Performance.

Energie en kosten vermin­deren waar dat aantoon­baar kan, terwijl de over­een­ge­komen perfor­mance behouden blijft. Daarmee wordt voorkomen dat bespa­ringen op papier later leiden tot vertra­gingen, versto­ringen, produc­ti­vi­teits­ver­lies of nieuwe investeringen.

Werke­lijke effi­ci­ency is immers niet het laagste ener­gie­ver­bruik, maar de beste verhou­ding tussen ingezette middelen en geleverde prestatie.

De businesscase van real insight

De finan­ciële opbrengst van real insight bestaat uit meerdere bespa­rings­stromen die elkaar versterken:

  1. lagere cloud­kosten door rightsi­zing, uitscha­ke­ling en betere workloadplaatsing;
  2. lagere AI-kosten door effi­ci­ën­tere modellen, GPU-benutting en workloadregie;
  3. lagere soft­wa­rekosten door licen­tie­op­ti­ma­li­satie en consolidatie;
  4. lagere hardware-inves­te­ringen door betere benutting en levensduurverlenging;
  5. lagere ener­gie­kosten door vermin­de­ring van idle- en overcapaciteit;
  6. lagere koelings­kosten door betere afstem­ming tussen IT-belasting en ther­mi­sche infrastructuur;
  7. lagere beheer­kosten door het verwij­deren van onnodige complexiteit;
  8. lagere piek­be­las­ting en mogelijk lagere aansluit- of capaciteitstarieven;
  9. minder inves­te­rings­ri­sico door beslis­singen te baseren op aantoon­bare behoefte;
  10. lagere compli­ance- en rappor­ta­ge­last doordat dezelfde geva­li­deerde data voor meerdere doel­einden kan worden gebruikt.

Dezelfde data die bespa­ringen mogelijk maakt, kan bovendien worden ingezet voor duur­zaam­heids­rap­por­tage, interne gover­nance, klant­ver­ant­woor­ding, compli­ance, inves­te­rings­be­sluiten en verificatie.

Daarmee worden met één meet- en bewijs­laag meerdere bedrijfs­doelen ondersteund.

Meten moet zelf ook meetbaar renderen

Wanneer wij stellen dat real insight een verdien­model is, moeten wij dat vanzelf­spre­kend ook kunnen bewijzen.

Daarom kan de uitgangs­si­tu­atie als baseline worden vast­ge­legd. Vervol­gens worden verbe­ter­maat­re­gelen uitge­voerd en worden de effecten op energie, kosten, capa­ci­teit en perfor­mance gemeten. Alleen aantoon­bare en geva­li­deerde bespa­ringen mogen als resultaat worden toegerekend.

Dat maakt zelfs een no-cure-no-pay- of shared-savings­model mogelijk. De vergoe­ding kan dan worden gekoppeld aan aantoon­baar gere­a­li­seerde bespa­ringen gedurende een vooraf afge­sproken periode.

Zo ontstaat een zuivere econo­mi­sche prikkel:

  • geen theo­re­ti­sche besparing;
  • geen gemid­delde marktdata;
  • geen oncon­tro­leer­bare claim;
  • maar een vergoe­ding op basis van werkelijk gere­a­li­seerd en geva­li­deerd resultaat.

Wanneer real insight geen aantoon­bare waarde oplevert, is de busi­nes­scase onvol­doende. Wanneer de besparing wel aantoon­baar is, kan een deel daarvan worden gebruikt om de meet‑, analyse- en opti­ma­li­sa­tie­dienst te financieren.

De klant houdt struc­tu­reel lagere kosten over, terwijl de aanbieder wordt beloond voor werkelijk resultaat.

Van kostenplaats naar waardecreatie

De grootste veran­de­ring is misschien wel organisatorisch.

Duur­zaam­heid, IT-beheer, finance, procure­ment en compli­ance werken binnen veel orga­ni­sa­ties nog vanuit afzon­der­lijke data­bronnen en doel­stel­lingen. Finance ziet facturen. IT ziet capa­ci­teit en beschik­baar­heid. Sustai­na­bi­lity ziet energie en CO₂. Procure­ment ziet contracten en licenties. De bedrijfs­or­ga­ni­satie ziet vooral of een appli­catie functioneert.

Real insight brengt deze werelden samen.

Daarmee wordt verduur­za­ming geen losstaand rappor­ta­ge­pro­ject, maar een vorm van opera­ti­o­nele en finan­ciële verbe­te­ring. Compli­ance wordt geen extra admi­ni­stra­tieve laag, maar een resultaat van data die al nodig is om de omgeving beter te besturen. En IT wordt niet langer uitslui­tend beoor­deeld op beschik­baar­heid en budget, maar op aantoon­bare waarde per ingezette euro, kilo­wattuur en rekeneenheid.

Dat is precies waar volgens mij de echte busi­nes­scase ligt.

Geen duurzame AI zonder meetbaar bewijs

Voor duurzame AI is het niet voldoende om groene elek­tri­ci­teit in te kopen of naar de PUE van een data­center te verwijzen. We moeten weten hoeveel energie een AI-workload werkelijk gebruikt, welke pres­ta­ties daarmee worden geleverd, hoeveel infra­struc­tuur daarvoor nodig is en of dezelfde uitkomst effi­ci­ënter kan worden bereikt.

Dat bewijs moet feitelijk, herleid­baar, veri­fi­eer­baar en bij voorkeur certi­fi­ceer­baar zijn.

Niet omdat we behoefte hebben aan meer regeldruk, maar omdat trans­pa­rantie nood­za­ke­lijk is om markt­wer­king mogelijk te maken. Zolang afnemers geen verge­lijk­bare en betrouw­bare data hebben, kunnen zij leve­ran­ciers nauwe­lijks beoor­delen op effi­ci­ency, kosten of duurzaamheid.

Real data maakt pres­ta­ties verge­lijk­baar. Verge­lijk­baar­heid stimu­leert concur­rentie. Concur­rentie beloont uitein­de­lijk de partij die aantoon­baar meer waarde levert met minder middelen.

Daarmee wordt meetbaar bewijs niet alleen een voor­waarde voor duurzame AI, maar ook voor betaal­bare AI.

De overtuiging die nu bewezen kan worden

We staan aan het begin van een periode waarin cloud- en AI-kosten een steeds groter deel van de bedrijfs­uit­gaven zullen vormen. Tege­lij­ker­tijd nemen de druk op het elek­tri­ci­teitsnet, de behoefte aan digitale soeve­rei­ni­teit en de verwach­tingen rond duur­zaam­heid en trans­pa­rantie toe.

Meer infra­struc­tuur bouwen is niet de enige oplossing.

We moeten eerst begrijpen wat we al hebben, hoe het wordt gebruikt en welke prestatie het werkelijk levert.

Mijn over­tui­ging is helder: binnen vrijwel iedere omvang­rijke IT-omgeving bestaat een aanzien­lijk bespa­rings­po­ten­tieel in cloud­ge­bruik, AI-capa­ci­teit, soft­wa­re­li­cen­ties, hardware, energie en beheer. Dat poten­tieel kan worden benut zonder nood­za­ke­lijke perfor­mance in te leveren, mits beslis­singen worden gebaseerd op voldoende gede­tail­leerde en betrouw­bare data.

De kosten van die real data insight vormen daarbij niet het probleem.

Het ontbreken ervan is het echte risico.

Want wie niet meet, betaalt niet alleen te veel. Die orga­ni­satie weet ook niet waarvoor zij betaalt, waar zij verspilt, wanneer zij moet inves­teren en welke duur­zaam­heids­claims werkelijk kunnen worden onderbouwd.

Real insight verandert dat. Het maakt verborgen verspil­ling zichtbaar, onder­steunt gerichte opti­ma­li­satie en vertaalt tech­ni­sche data naar finan­ciële stuurinformatie.

Daarmee is real data geen extra kosten­post, maar een aantoon­baar verdienmodel.

Niet besparen door minder perfor­mance te accep­teren, maar meer waarde halen uit iedere euro, iedere licentie, iedere server, iedere GPU en iedere kilowattuur.

Pin It on Pinterest

Share This