Een duurzaam datacenter begint niet bij een belofte, maar bij controleerbaar bewijs

6 augustus 2026

De snelle groei van kunst­ma­tige intel­li­gentie maakt data­cen­ters tot een steeds belang­rijker onderdeel van onze economie en samen­le­ving, schrijft Marco Verzijl in een reactie op het arttikel “How To Inves­ti­gate Data Centers’ Impacts“. Vrijwel iedere digitale dienst, van elek­tro­ni­sche pati­ën­ten­dos­siers en finan­ciële trans­ac­ties tot cloud­soft­ware en gene­ra­tieve AI, is afhan­ke­lijk van fysieke IT-infra­struc­tuur. Achter iedere digitale toepas­sing bevinden zich servers, opslag­ap­pa­ra­tuur, netwerk­com­po­nenten, koel­sys­temen en energievoorzieningen.

Die fysieke werke­lijk­heid blijft in het publieke debat echter vaak onder­be­licht. Er wordt veel gesproken over de econo­mi­sche kansen van AI, digi­ta­li­se­ring en cloud­tech­no­logie, maar aanzien­lijk minder over de vraag hoeveel energie, water, grond­stoffen en infra­struc­tuur daarvoor nodig zijn. Nog minder aandacht is er voor de vraag hoe efficiënt deze middelen daad­wer­ke­lijk worden gebruikt.

Het Pulitzer Center publi­ceerde op 2 juli 2026 de onder­zoeks­lei­draad How To Inves­ti­gate Data Centers’ Impacts. De publi­catie is primair bedoeld voor jour­na­listen, maar zou wat mij betreft verplichte lite­ra­tuur moeten zijn voor beleids­ma­kers, bestuur­ders, inves­teer­ders, data­cen­te­r­ex­ploi­tanten en grote gebrui­kers van digitale infra­struc­tuur. De centrale boodschap is helder: neem claims over duur­zaam­heid, energie, water, werk­ge­le­gen­heid en econo­mi­sche meer­waarde niet zonder onaf­han­ke­lijke veri­fi­catie over.

Dat uitgangs­punt onder­schrijf ik volledig. Niet omdat data­cen­ters per definitie ongewenst zijn, maar juist omdat ze onmisbaar zijn geworden. Essen­tiële infra­struc­tuur verdient een volwassen beoor­de­lings­kader dat gebaseerd is op actuele metingen, herleid­bare data en onaf­han­ke­lijke verificatie.

Datacenters zijn industriële infrastructuur geworden

De tijd waarin een data­center voor­na­me­lijk werd gezien als een gebouw met enkele server­ruimtes ligt achter ons. De opkomst van gene­ra­tieve AI heeft de schaal, vermo­gens­dicht­heid en ener­gie­be­hoefte van data­cen­ters funda­men­teel veranderd.

AI-systemen maken veel­vuldig gebruik van krachtige GPU’s en andere gespe­ci­a­li­seerde proces­sors. Hierdoor stijgt niet alleen het totale elek­tri­ci­teits­ge­bruik, maar neemt ook het vermogen per server en per rack sterk toe. Tege­lij­ker­tijd wordt de koeling complexer en neemt het belang van netaan­slui­tingen, nood­stroom­voor­zie­ningen en lokale energie-infra­struc­tuur toe.

Het Inter­na­ti­onal Energy Agency consta­teerde dat het elek­tri­ci­teits­ver­bruik van data­cen­ters in 2025 wereld­wijd met ongeveer 17 procent toenam. Bij specifiek op AI gerichte data­cen­ters lag de groei nog hoger. Dat is aanzien­lijk sneller dan de groei van de totale mondiale elektriciteitsvraag.

Data­cen­ters moeten daarom niet langer uitslui­tend als vastgoed of als ICT-faci­li­teit worden beoor­deeld. Het zijn indu­striële ener­gie­ge­brui­kers die onderdeel zijn van een bredere keten van elek­tri­ci­teits­pro­ductie, transport, koeling, digitale verwer­king en warmteafvoer.

Dat betekent ook dat de maat­schap­pe­lijke beoor­de­ling verder moet gaan dan de vraag hoeveel megawatt een data­center aansluit. We moeten weten wat er met die elek­tri­ci­teit gebeurt, hoeveel digitale pres­ta­ties ermee worden geleverd en welke maat­schap­pe­lijke waarde daar­te­gen­over staat.

De discussie moet niet gaan over vóór of tegen datacenters

Het publieke debat wordt vaak gere­du­ceerd tot twee kampen. Aan de ene kant staan partijen die data­cen­ters presen­teren als nood­za­ke­lijke motor van innovatie en econo­mi­sche groei. Aan de andere kant staan partijen die vooral wijzen op ener­gie­ge­bruik, water­ver­bruik, geluid, ruim­te­be­slag en druk op het elektriciteitsnet.

Deze tegen­stel­ling helpt ons niet verder.

Nederland en Europa hebben digitale infra­struc­tuur nodig. Zonder data­cen­ters zijn er geen digitale over­heids­dien­sten, geen moderne zieken­huizen, geen finan­ciële dienst­ver­le­ning, geen indu­striële auto­ma­ti­se­ring en geen Europese AI-capa­ci­teit. Wanneer wij onze digitale infra­struc­tuur niet zelf orga­ni­seren, worden we nog afhan­ke­lijker van buiten­landse tech­no­lo­gie­be­drijven en infrastructuuraanbieders.

De relevante vraag is daarom niet óf wij data­cen­ters nodig hebben. De relevante vraag is:

Welke data­cen­ters hebben wij nodig, voor welke toepas­singen, op welke locaties en tegen welke aantoon­bare maat­schap­pe­lijke en ener­ge­ti­sche prestaties?

Die vraag kan alleen worden beant­woord wanneer we beschikken over betrouw­bare en verge­lijk­bare gegevens.

Zelfrapportage is nog geen bewijs

Het Pulitzer Center waar­schuwt terecht voor het klak­ke­loos overnemen van duur­zaam­heids­claims. Data­cen­te­r­ex­ploi­tanten publi­ceren regel­matig cijfers over hernieuw­bare energie, Power Usage Effec­ti­ve­ness, water­be­spa­ring en CO₂-reductie. Zulke gegevens kunnen waardevol zijn, maar alleen wanneer duidelijk is hoe ze zijn gemeten, welke systeem­grenzen zijn gebruikt en of ze onaf­han­ke­lijk kunnen worden gecontroleerd.

Een percen­tage groene stroom zegt bijvoor­beeld niet auto­ma­tisch dat een data­center ieder uur fysiek door hernieuw­bare energie wordt gevoed. Het kan gaan om certi­fi­caten of contrac­tuele compen­satie op jaarbasis. Op momenten waarop onvol­doende zon- of wind­energie beschik­baar is, wordt de feite­lijke elek­tri­ci­teits­vraag mogelijk alsnog ingevuld door andere bronnen.

Ook nood­stroom­voor­zie­ningen horen bij het volledige beeld. Een data­center kan voor zijn reguliere elek­tri­ci­teits­in­koop een duurzaam profiel presen­teren, maar tege­lij­ker­tijd beschikken over grote hoeveel­heden diesel- of gasge­stookte nood­ge­ne­ra­toren. Die voor­zie­ningen zijn vanuit conti­nu­ï­teits­per­spec­tief begrij­pe­lijk, maar moeten wel worden meege­nomen in de beoor­de­ling van emissies, lokale lucht­kwa­li­teit en totale milieu-impact.

Trans­pa­rantie betekent daarom meer dan het publi­ceren van een duur­zaam­heids­rap­port. Werke­lijke trans­pa­rantie vereist dat cijfers:

  • gebaseerd zijn op actuele metingen;
  • afkomstig zijn van bekende en gere­gi­streerde meetpunten;
  • voorzien zijn van duide­lijke defi­ni­ties en systeemgrenzen;
  • over meerdere perioden verge­lijk­baar zijn;
  • herleid­baar zijn naar brondata;
  • en onaf­han­ke­lijk geve­ri­fi­eerd kunnen worden.

Zonder die voor­waarden blijft duur­zaam­heid te veel een commu­ni­ca­tief begrip.

PUE is nuttig, maar vertelt maar een deel van het verhaal

De bekendste indicator voor data­cen­te­r­ef­fi­ci­ëntie is Power Usage Effec­ti­ve­ness, oftewel PUE. Deze waarde verge­lijkt het totale ener­gie­ge­bruik van een data­center met het ener­gie­ge­bruik van de aanwezige IT-apparatuur.

PUE is nuttig om te beoor­delen hoeveel energie wordt gebruikt voor onder meer koeling, stroom­ver­de­ling en onder­steu­nende instal­la­ties. Maar PUE zegt niets over de vraag of de IT-appa­ra­tuur zelf efficiënt wordt benut.

Een data­center kan een uitste­kende PUE hebben, terwijl een aanzien­lijk deel van de servers nauwe­lijks produc­tief werk verricht. Vanuit gebouw­tech­nisch perspec­tief lijkt het data­center dan efficiënt. Vanuit maat­schap­pe­lijk en ener­ge­tisch perspec­tief kan nog steeds sprake zijn van aanzien­lijke verspilling.

Een eenvou­dige verge­lij­king maakt dit duidelijk. Een zuinige vracht­wagen die vrijwel leeg rondrijdt, blijft inef­fi­ciënt gebruikt. Het brand­stof­ver­bruik per gereden kilometer kan laag zijn, maar het ener­gie­ge­bruik per vervoerde ton is ongunstig. Voor data­cen­ters geldt hetzelfde: niet alleen de effi­ci­ëntie van de faci­li­teit telt, maar ook de hoeveel­heid nuttige digitale pres­ta­ties die met de gebruikte energie wordt geleverd.

Daarom moeten we naast faci­li­taire indi­ca­toren ook kijken naar:

  • de feite­lijke benutting van servers en processors;
  • het aandeel energie dat wordt gebruikt voor produc­tieve workloads;
  • de verhou­ding tussen ener­gie­ge­bruik en trans­ac­ties, gebrui­kers of berekeningen;
  • onge­bruikte of over­ge­di­men­si­o­neerde IT-capaciteit;
  • de pres­ta­ties per kilowattuur;
  • en de effi­ci­ëntie van indi­vi­duele appli­ca­ties en AI-modellen.

Juist bij AI wordt dit steeds belang­rijker. Het trainen of gebruiken van twee modellen voor een verge­lijk­bare taak kan een sterk verschil­lend ener­gie­ge­bruik opleveren. Alleen het ener­gie­ge­bruik van het gebouw meten is dan onvol­doende. We moeten uitein­de­lijk kunnen beoor­delen hoeveel bruikbare AI-prestatie per eenheid energie wordt geleverd.

Van groene stroom naar aantoonbare ketenprestaties

Een data­center staat niet op zichzelf. Het is onderdeel van een keten die begint bij ener­gie­op­wek­king en eindigt bij een digitale dienst of bedrijfsproces.

Een geloof­waar­dige beoor­de­ling moet daarom minimaal rekening houden met:

  1. de herkomst en beschik­baar­heid van de elektriciteit;
  2. verliezen tijdens transport en omzetting;
  3. het ener­gie­ge­bruik van koeling en onder­steu­nende installaties;
  4. de benutting van de IT-apparatuur;
  5. de effi­ci­ency van appli­ca­ties en workloads;
  6. het water­ge­bruik;
  7. de inzet of afvoer van restwarmte;
  8. de levens­duur en circu­la­ri­teit van hardware;
  9. en de uitein­de­lijke maat­schap­pe­lijke of econo­mi­sche output.

Het Pulitzer Center wijst er bijvoor­beeld op dat water­ge­bruik niet alleen op locatie plaats­vindt. Ook elek­tri­ci­teits­pro­ductie kan een water­com­po­nent hebben. Een koel­sys­teem met een zeer laag direct water­ge­bruik kan bovendien meer elek­tri­ci­teit vragen. Daardoor kan een verbe­te­ring van de ene indicator leiden tot een verslech­te­ring van een andere.

Dat illu­streert waarom losse duur­zaam­heids­claims gevaar­lijk zijn. Een data­center kan niet geloof­waardig als duurzaam worden aange­merkt op basis van één gunstige KPI. Er is een samen­han­gend pres­ta­tie­beeld nodig waarin energie, water, IT-pres­ta­ties, emissies en warm­te­ge­bruik geza­men­lijk worden beoordeeld.

Restwarmte moet meetbaar nuttig zijn

Rest­warmte wordt regel­matig genoemd als voordeel van data­cen­ters. In theorie kan de warmte van servers worden ingezet voor woningen, kassen, zwembaden of indu­striële processen. In de praktijk blijkt benutting niet altijd eenvoudig.

De tempe­ra­tuur van de warmte, de afstand tot afnemers, de conti­nu­ï­teit van de warm­te­vraag en de kosten van infra­struc­tuur zijn bepalend voor de haal­baar­heid. Daarnaast is het belang­rijk wie verant­woor­de­lijk is voor inves­te­ringen en opera­ti­o­nele risico’s.

Een aanslui­ting die technisch aanwezig is, betekent nog niet dat warmte daad­wer­ke­lijk nuttig wordt ingezet.

Daarom moet niet alleen worden gerap­por­teerd hoeveel warmte theo­re­tisch beschik­baar is, maar vooral:

  • hoeveel warmte daad­wer­ke­lijk wordt geleverd;
  • op welke temperatuur;
  • gedurende hoeveel uren per jaar;
  • aan welke afnemers;
  • welke andere ener­gie­bron hierdoor wordt vermeden;
  • en welk deel van de totale rest­warmte nuttig wordt toegepast.

De Europese regel­ge­ving erkent inmiddels het belang van deze meet­baar­heid. Gerap­por­teerde data­cen­ters moeten onder andere ener­gie­ge­bruik, wate­rinput en herge­bruikte warmte meten volgens vast­ge­legde metho­dieken. De regel­ge­ving benadrukt bovendien dat meet­punten en gebruikte meet­ap­pa­ra­tuur gedurende ten minste tien jaar traceer­baar moeten blijven.

Dat is een belang­rijke stap. Maar rappor­teren alleen is niet genoeg. De betrouw­baar­heid en verge­lijk­baar­heid van de onder­lig­gende data moeten eveneens worden geborgd.

Economische claims moeten volledig worden doorgerekend

Ook de econo­mi­sche bijdrage van data­cen­ters verdient een even­wich­tige beoordeling.

Tijdens de bouw leveren grote data­cen­ter­pro­jecten veel werk­ge­le­gen­heid op. Na inge­bruik­name daalt het aantal directe banen doorgaans aanzien­lijk. Bovendien gaat het vaak om speci­a­lis­ti­sche functies waarvoor mede­wer­kers niet altijd lokaal beschik­baar zijn. Het Pulitzer Center adviseert daarom om onder­scheid te maken tussen tijde­lijke bouw­werk­ge­le­gen­heid, struc­tu­rele werk­ge­le­gen­heid en indirecte econo­mi­sche effecten.

Daarnaast moeten publieke inves­te­ringen worden meege­wogen. Denk aan uitbrei­ding van het elek­tri­ci­teitsnet, aanpas­sing van wegen, beschik­baar stellen van grond, fiscale voordelen en de inzet van vergun­ning­ver­le­nende instanties.

De vraag is niet alleen hoeveel een data­center inves­teert, maar ook:

  • welke publieke voor­zie­ningen daarvoor nodig zijn;
  • welke netca­pa­ci­teit wordt gereserveerd;
  • welke andere bedrijven of woning­bouw­pro­jecten hierdoor mogelijk moeten wachten;
  • hoeveel struc­tu­rele belas­ting­in­kom­sten worden gerealiseerd;
  • hoeveel lokale econo­mi­sche acti­vi­teit ontstaat;
  • en welke publieke risico’s achter­blijven wanneer een project wordt vertraagd of beëindigd.

Een inves­te­ring van miljarden euro’s klinkt indruk­wek­kend, maar is op zichzelf geen bewijs van maat­schap­pe­lijke waarde. De volledige kosten-baten­ver­hou­ding moet zichtbaar worden gemaakt.

Kijk naar de volledige levenscyclus

Een sterk punt van de Pulitzer-publi­catie is dat zij data­cen­ters niet alleen tijdens de opera­ti­o­nele fase beoor­deelt. De auteurs onder­scheiden de voor­ge­stelde fase, de bouwfase, de opera­ti­o­nele fase en de fase van ontman­te­ling of verlaten infrastructuur.

Die levens­cy­clus­be­na­de­ring is essentieel.

Tijdens de planfase moeten claims over werk­ge­le­gen­heid, energie, water, ruimte en warm­te­be­nut­ting toetsbaar worden vast­ge­legd. Tijdens de bouw moeten onder andere mate­ri­aal­ge­bruik, CO₂-impact en wijzi­gingen in ontwerp of budget worden gevolgd. Tijdens de opera­ti­o­nele fase moeten de feite­lijke pres­ta­ties worden verge­leken met de oorspron­ke­lijke toezeggingen.

Ook het einde van de levens­duur verdient aandacht. AI-hardware heeft doorgaans een veel kortere econo­mi­sche levens­duur dan het data­cen­ter­ge­bouw. Servers, GPU’s, batte­rijen, koel­sys­temen en elek­tri­sche instal­la­ties worden tussen­tijds vervangen. Dat leidt tot mate­ri­aal­stromen, elek­tro­nisch afval en nieuwe investeringsrondes.

Daarom moet vooraf duidelijk zijn:

  • hoe appa­ra­tuur wordt herge­bruikt of gerecycled;
  • welke onder­delen modulair vervang­baar zijn;
  • hoe lang gebouw en tech­ni­sche instal­la­ties bruikbaar blijven;
  • wie verant­woor­de­lijk is voor ontmanteling;
  • en welke finan­ciële voor­zie­ning daarvoor wordt getroffen.

Een werkelijk duurzaam data­center is niet alleen efficiënt tijdens het eerste opera­ti­o­nele jaar. Het moet gedurende zijn volledige levens­duur aanpas­baar, meetbaar, onder­houd­baar en herbruik­baar zijn.

Europese rapportage is een beginpunt, geen eindpunt

De Europese Energy Effi­ci­ency Directive heeft een verplich­ting geïn­tro­du­ceerd voor het monitoren en rappor­teren van de ener­gie­pres­ta­ties van data­cen­ters. De Europese Commissie werkt daarnaast aan een beoor­de­lings­sys­teem en mini­mum­eisen voor de duur­zaam­heid en energie-effi­ci­ëntie van datacenters.

Volgens de Europese regels moeten rappor­te­rende data­cen­ters jaarlijks een reeks energie- en duur­zaam­heids­in­di­ca­toren aanle­veren. Daarbij gaat het onder andere om het totale ener­gie­ge­bruik, IT-ener­gie­ge­bruik, water­ge­bruik, hernieuw­bare energie en herge­bruikte warmte.

Dit is een nood­za­ke­lijke ontwik­ke­ling. Tege­lij­ker­tijd moeten we voorkomen dat rappor­tage een admi­ni­stra­tieve werke­lijk­heid naast de opera­ti­o­nele werke­lijk­heid wordt.

Een getal in een database is pas waardevol wanneer duidelijk is:

  • waar het vandaan komt;
  • of het volledig is;
  • of overal dezelfde definitie wordt gebruikt;
  • of schat­tingen en metingen van elkaar worden onderscheiden;
  • of correc­ties zichtbaar blijven;
  • en of een onaf­han­ke­lijke partij de uitkomst kan controleren.

De volgende stap moet daarom niet simpelweg méér regel­ge­ving zijn. De volgende stap moet bestaan uit betere uitvoe­ring, betrouw­bare meet­me­thoden en onaf­han­ke­lijke verificatie.

Van rapporteren naar certificeren

Voor Stichting Save Energy Foun­da­tion is dit de kern van de opgave. Wij zijn voor­stander van trans­pa­rante en praktisch toepas­bare indi­ca­toren die gebaseerd zijn op echte opera­ti­o­nele data.

Daarbij moeten drie niveaus met elkaar worden verbonden.

Het eerste niveau is de fysieke infra­struc­tuur: ener­gie­voor­zie­ning, koeling, UPS-systemen, water­ge­bruik en restwarmte.

Het tweede niveau is de IT-infra­struc­tuur: servers, opslag, netwerken, virtu­a­li­satie en hardwarebenutting.

Het derde niveau is de digitale output: appli­ca­ties, trans­ac­ties, gebrui­kers, workloads en AI-prestaties.

Pas wanneer deze niveaus met elkaar worden verbonden, kunnen we bepalen of energie daad­wer­ke­lijk doelmatig wordt ingezet.

Daarbij hoort onaf­han­ke­lijke certi­fi­ce­ring. Niet als extra papieren keurmerk, maar als controle op de dataketen. Een certi­fi­ce­rende partij moet kunnen vast­stellen dat de gegevens volledig, consis­tent, herleid­baar en repro­du­ceer­baar zijn.

Een dergelijk systeem maakt het mogelijk om data­cen­ters en digitale diensten op een eerlijke manier te verge­lijken. Het helpt overheden bij vergun­ning­ver­le­ning en inkoop. Het geeft finan­ciers beter inzicht in tech­ni­sche en duurzaamheidsrisico’s. Het stelt klanten in staat om niet alleen op prijs en beschik­baar­heid, maar ook op aantoon­bare ener­gie­pres­ta­ties te selecteren.

En het beschermt data­cen­te­r­ex­ploi­tanten die werkelijk inves­teren in effi­ci­ency tegen concur­renten die vooral inves­teren in goede marketing.

Transparantie is geen bedreiging voor de sector

Soms wordt gesteld dat uitge­breide open­baar­ma­king de concur­ren­tie­po­sitie van data­cen­ters kan schaden. Uiteraard moeten bedrijfs­ge­voe­lige gegevens worden beschermd. Maar vertrou­we­lijk­heid mag geen argument worden om iedere vorm van controle onmo­ge­lijk te maken.

Het is goed mogelijk om pres­ta­ties onaf­han­ke­lijk te laten veri­fi­ëren zonder alle tech­ni­sche of commer­ciële details openbaar te maken. Ook in andere sectoren worden finan­ciële, veilig­heids- en kwali­teits­ge­ge­vens gecon­tro­leerd door onaf­han­ke­lijke deskundigen.

Voor data­cen­ters moet hetzelfde uitgangs­punt gelden.

Sterker nog: trans­pa­rantie kan het vertrouwen in de sector juist vergroten. Wanneer exploi­tanten kunnen aantonen dat zij efficiënt omgaan met energie, water en mate­ri­alen, ontstaat een feite­lijke basis voor de dialoog met overheden en omwonenden.

Dat is belang­rijk in een tijd waarin netcon­gestie, ener­gie­prijzen en ruim­te­lijke ordening steeds vaker leiden tot maat­schap­pe­lijke weerstand tegen nieuwe datacenterprojecten.

Van megawatt naar maatschappelijke waarde

De komende jaren zullen steeds grotere bedragen worden geïn­ves­teerd in AI-infra­struc­tuur. Daarmee neemt ook de verant­woor­de­lijk­heid toe om aan te tonen dat de benodigde energie en grond­stoffen doelmatig worden ingezet.

We moeten daarom stoppen met het uitslui­tend beoor­delen van data­cen­ters op opgesteld vermogen, vierkante meters, inves­te­rings­be­dragen en theo­re­ti­sche duurzaamheidsclaims.

De centrale indicator moet uitein­de­lijk zijn:

Welke aantoon­bare digitale en maat­schap­pe­lijke prestatie wordt geleverd met de gebruikte energie, het gebruikte water, de gebruikte mate­ri­alen en de gere­ser­veerde infrastructuur?

Dat vereist samen­wer­king tussen data­cen­te­r­ex­ploi­tanten, IT-leve­ran­ciers, soft­wa­re­ont­wik­ke­laars, ener­gie­be­drijven, overheden, kennis­in­stel­lingen en onaf­han­ke­lijke meet- en certificeringsorganisaties.

Het Pulitzer Center roept jour­na­listen op om door beloften en presen­ta­ties heen te kijken en zelf­standig bewijs te verza­melen. Die oproep verdient navolging in de hele keten.

Ook beleids­ma­kers, inves­teer­ders en afnemers moeten niet langer tevreden zijn met gemid­delden, schat­tingen en zelf­ge­kozen duur­zaam­heids­in­di­ca­toren. Zij moeten vragen om actuele, herleid­bare en contro­leer­bare gegevens.

Niet om de ontwik­ke­ling van data­cen­ters en AI tegen te houden, maar om ervoor te zorgen dat we de juiste infra­struc­tuur bouwen: efficiënt, toekomst­be­stendig, soeverein en aantoon­baar verantwoord.

Want een duurzaam data­center is niet het data­center dat zichzelf duurzaam noemt.

Een duurzaam data­center is het data­center dat zijn pres­ta­ties onaf­han­ke­lijk kan bewijzen.

Pin It on Pinterest

Share This