Rapport: Datacenters in de ruimte komen sneller dichterbij dan gedacht

4 augustus 2026

Het idee om data­cen­ters in een baan om de aarde te bouwen, klonk tot voor kort vooral als scien­ce­fic­tion. Servers zouden buiten de atmosfeer permanent zonne-energie gebruiken, terwijl raketten voort­du­rend nieuwe reken­hard­ware naar boven brengen. Inmiddels begint dat futu­ris­ti­sche beeld echter steeds meer op een serieuze infra­struc­tuur­stra­tegie te lijken. Volgens een analyse van Bain & Company kunnen orbitale data­cen­ters vanaf het begin van de jaren dertig gelei­de­lijk opschalen en rond 2040 een bescheiden, maar stra­te­gisch relevant deel van de mondiale reken­ca­pa­ci­teit leveren.

De belang­stel­ling voor data­cen­ters in de ruimte wordt niet alleen gedreven door tech­no­lo­gi­sche voor­uit­gang. Minstens zo belang­rijk zijn de toene­mende beper­kingen waarmee data­cen­ter­ont­wik­ke­laars op aarde te maken krijgen. Beschik­bare elek­tri­ci­teit, netca­pa­ci­teit, grond, water, vergun­ningen en maat­schap­pe­lijk draagvlak zijn in veel regio’s schaars geworden.

Vooral de opkomst van kunst­ma­tige intel­li­gentie legt extra druk op de bestaande infra­struc­tuur. Nieuwe AI-data­cen­ters vragen honderden megawatts aan vermogen, terwijl aanslui­ting op het elek­tri­ci­teitsnet steeds vaker jaren kan duren. Ook de bouw zelf wordt vertraagd door vergun­ningstra­jecten, beper­kingen aan locaties en een tekort aan energie-infrastructuur.

Orbitale data­cen­ters zouden een deel van deze problemen kunnen omzeilen. In de ruimte is geen aanslui­ting op een over­be­last elek­tri­ci­teitsnet nodig en zijn grote hoeveel­heden zonne-energie beschik­baar. Daar staat tegenover dat iedere kilo hardware eerst met een raket in een baan om de aarde moet worden gebracht. Bovendien moeten alle voor­zie­ningen die op aarde vanzelf­spre­kend zijn – ener­gie­voor­zie­ning, koeling, commu­ni­catie en onderhoud – opnieuw worden ontworpen voor gebruik in de ruimte.

Juist daardoor is de busi­nes­scase sterk afhan­ke­lijk van meerdere tech­no­lo­gi­sche en econo­mi­sche ontwik­ke­lingen die tege­lij­ker­tijd moeten plaatsvinden.

Van concept naar concrete plannen

Dat data­cen­ters in de ruimte niet langer uitslui­tend een theo­re­tisch onderwerp zijn, blijkt onder meer uit de plannen van SpaceX. Het bedrijf diende op 30 januari 2026 bij de Ameri­kaanse Federal Commu­ni­ca­tions Commis­sion een aanvraag in voor een nieuw satel­liet­sys­teem dat mede bedoeld is voor orbitale data­cen­ters. De FCC nam de aanvraag begin februari officieel in behandeling.

Het gaat daarmee nog niet om een opera­ti­o­neel data­cen­ter­plat­form. De aanvraag laat wel zien dat ruim­te­ge­ba­seerde reken­in­fra­struc­tuur inmiddels een onderwerp is geworden waarvoor concrete satel­lie­tar­chi­tec­turen, frequen­ties en vergun­ningen worden voorbereid.

SpaceX noemt zijn toekom­stige Starship-raket als een cruciaal onderdeel van deze ontwik­ke­ling. Het bedrijf stelt dat Starship in een volledig herbruik­bare confi­gu­ratie meer dan 100 ton vracht in een baan om de aarde moet kunnen brengen. Toekom­stige varianten zouden volgens de plannen een nog grotere capa­ci­teit kunnen krijgen.

Dat laad­ver­mogen is belang­rijk, omdat de huidige lanceer­ca­pa­ci­teit volstrekt onvol­doende is om data­cen­ters op giga­watt­schaal in de ruimte te bouwen.

Lanceerkosten zijn de grootste drempel

De kosten om hardware in een baan om de aarde te brengen vormen voorlopig de belang­rijkste econo­mi­sche hindernis. Daarbij gaat het niet alleen om de prijs per lancering, maar vooral om de combi­natie van laad­ver­mogen, kosten per kilogram en het aantal lance­ringen dat jaarlijks kan worden uitgevoerd.

Volgens de analyse van Bain kost vervoer naar een lage baan om de aarde met een Falcon 9 momenteel ongeveer 600 dollar per kilogram. Om orbitale data­cen­ters op termijn concur­re­rend te maken met data­cen­ters op aarde, zou dat bedrag waar­schijn­lijk moeten dalen naar ongeveer 50 tot 100 dollar per kilogram.

Dat is een forse reductie. Bain verwacht echter dat lichtere hardware, effi­ci­ën­tere ener­gie­sys­temen en volledig of groten­deels herbruik­bare raketten de lanceer­kosten per eenheid reken­ver­mogen tegen 2035 met maximaal 80 procent kunnen verlagen. De adviseur verwacht dat orbitale data­cen­ters daardoor vanaf het begin van de jaren dertig voor­zichtig kunnen gaan opschalen.

Niet alleen de prijs, maar ook de beschik­bare lanceer­ca­pa­ci­teit vormt een probleem. Om met de huidige massa van satel­liet­sys­temen één gigawatt aan reken­ver­mogen in de ruimte te reali­seren, zouden naar schatting ongeveer duizend Falcon 9‑lanceringen per jaar nodig zijn.

Ter verge­lij­king: Falcon 9 kan ongeveer 23 ton naar een lage baan om de aarde vervoeren. Starship moet uitein­de­lijk veel meer vracht per vlucht meenemen. Hoe groter het laad­ver­mogen, hoe minder lance­ringen nodig zijn voor dezelfde hoeveel­heid rekenkracht.

Het laad­ver­mogen alleen is echter niet door­slag­ge­vend. SpaceX moet ook aantonen dat Starship snel en betrouw­baar opnieuw kan worden ingezet. Daarnaast zijn grote inves­te­ringen nodig in lanceer­plat­forms, raket­pro­ductie, motoren, brand­stof­voor­zie­ning en logistiek. Vergun­ningen voor lanceer­lo­ca­ties kunnen eveneens een beper­kende factor worden.

De busi­nes­scase voor orbitale data­cen­ters leunt daarom zwaar op de vraag of SpaceX en eventuele concur­renten erin slagen om veel grotere hoeveel­heden vracht tegen veel lagere kosten naar de ruimte te brengen.

Servers moeten veel lichter worden

Ook de data­cen­ter­hard­ware zelf zal ingrij­pend moeten veran­deren. Een tradi­ti­o­neel GPU-rack kan niet simpelweg in een satelliet worden geplaatst. Gewicht dat op aarde nauwe­lijks een rol speelt, vertaalt zich in de ruimte recht­streeks in hogere lanceerkosten.

Volgens Bain moeten toekom­stige GPU-systemen ongeveer de helft lichter worden en tege­lij­ker­tijd meer reken­kracht leveren. Niet alleen de servers, maar ook zonne­pa­nelen, batte­rijen, beka­be­ling, construc­ties, commu­ni­ca­tie­sys­temen en koel­voor­zie­ningen moeten kleiner en lichter worden.

Dat vraagt om een andere manier van ontwerpen. Op aarde worden servers regel­matig vervangen, uitge­breid of gere­pa­reerd. Bij orbitale systemen is fysieke toegang veel moei­lijker en duurder. Hardware moet daarom betrouw­baar func­ti­o­neren onder omstan­dig­heden met straling, grote tempe­ra­tuur­schom­me­lingen en een vacuüm.

Tradi­ti­o­nele ruim­te­vaart gebruikt vaak speciaal geharde elek­tro­nica. Derge­lijke compo­nenten zijn betrouw­baar, maar doorgaans aanzien­lijk duurder en minder krachtig dan de nieuwste proces­sors en GPU’s die in aardse data­cen­ters worden gebruikt. Nieuwe ontwerpen moeten daarom een balans vinden tussen pres­ta­ties, gewicht, kosten en weerstand tegen straling.

Koelen in een vacuüm

De afwe­zig­heid van lucht lijkt op het eerste gezicht gunstig voor koeling, maar maakt warm­te­af­voer juist inge­wik­keld. Op aarde kan warmte via lucht of water worden verplaatst. In het vacuüm van de ruimte ontbreekt lucht waarmee warmte kan worden afgevoerd.

Een orbitaal data­center moet zijn rest­warmte daarom via radi­a­toren uitstralen. Daarvoor zijn grote opper­vlakken nodig. Hoe meer elek­tri­ci­teit de chips gebruiken, hoe meer warmte moet worden afgevoerd en hoe groter de benodigde radi­a­tor­ca­pa­ci­teit wordt.

Deze radi­a­toren voegen massa en complexi­teit toe aan het systeem. Ook moeten zij zodanig worden geplaatst dat ze hun warmte effectief kunnen uitstralen zonder te veel zonne­warmte op te nemen.

Onderzoek naar orbitale data­cen­ters laat zien hoe groot deze voor­zie­ningen kunnen worden. In een acade­mi­sche analyse van een ruim­te­ge­ba­seerd systeem van één megawatt werd voor de zonne­pa­nelen een opper­vlakte van duizenden vierkante meters berekend. Ook de radi­a­toren zouden enkele duizenden vierkante meters groot moeten zijn. De geza­men­lijke massa van ener­gie­op­wek­king, ener­gie­op­slag en warm­te­af­voer vormt daarmee een belang­rijk deel van het totale systeem.

De verwach­ting is wel dat zonne­pa­nelen en ther­mi­sche systemen goedkoper en lichter worden wanneer de produc­tie­vo­lumes stijgen. Daarnaast leveren nieuwe gene­ra­ties proces­sors meer reken­kracht per kilogram en per vierkante meter infrastructuur.

Tege­lij­ker­tijd neemt het vermogen per rack toe. Dat lijkt ongunstig, maar kan de busi­nes­scase gedeel­te­lijk verbe­teren: vaste voor­zie­ningen zoals commu­ni­catie, voort­stu­wing en constructie kunnen dan over meer reken­ver­mogen worden verdeeld.

Hoge investering, mogelijk lagere operationele kosten

Een orbitaal data­cen­ter­sys­teem van 100 megawatt zou volgens Bain momenteel ongeveer 50 procent meer kosten per kilowatt dan een verge­lijk­bare instal­latie op aarde. Die verge­lij­king kan in de komende jaren veranderen.

De initiële inves­te­ring is in de ruimte bijzonder hoog, maar na de lancering kunnen bepaalde opera­ti­o­nele kosten lager uitvallen. Zonne-energie is in geschikte banen langdurig beschik­baar en er is geen tradi­ti­o­neel elek­tri­ci­teitsnet nodig. Evenmin zijn koel­ma­chines, koel­to­rens en water­in­fra­struc­tuur nodig zoals die op aarde worden toegepast, al moeten daarvoor wel grote radi­a­toren worden geïnstalleerd.

Het voordeel van orbitale systemen wordt groter wanneer data­cen­ters op aarde steeds meer zelf moeten inves­teren in elek­tri­ci­teits­pro­ductie, batte­rijen, nood­stroom­voor­zie­ningen en verzwa­ring van netaansluitingen.

In regio’s met ernstige netcon­gestie kan bovendien de snelheid waarmee capa­ci­teit beschik­baar komt econo­misch belang­rijk worden. Een data­center dat goedkoper is maar pas over zeven jaar op het net kan worden aange­sloten, is niet nood­za­ke­lijk aantrek­ke­lijker dan een duurdere oplossing die eerder opera­ti­o­neel kan zijn.

Wanneer de kosten van lance­ringen, zonne­pa­nelen, radi­a­toren en satel­liet­pro­ductie voldoende dalen, zou de verhou­ding volgens Bain rond het midden van de jaren dertig in het voordeel van sommige orbitale toepas­singen kunnen verschuiven.

Dat betekent overigens niet dat data­cen­ters op aarde massaal verdwijnen. Orbitale systemen zouden eerder een aanvul­ling worden op bestaande infra­struc­tuur, vooral voor toepas­singen waarbij ener­gie­voor­zie­ning, loca­tie­be­per­kingen of snelheid van imple­men­tatie zwaarder wegen dan de laagst mogelijke bouwkosten.

Eerst inferentie, later misschien AI-training

Niet iedere compu­ter­werk­last is even geschikt voor uitvoe­ring in de ruimte. Op korte termijn lijken orbitale systemen vooral inte­res­sant voor AI-infe­rentie: het gebruiken van reeds getrainde modellen om teksten, beelden, voor­spel­lingen of analyses te produceren.

Het trainen van zeer grote AI-modellen is aanzien­lijk lastiger. Daarvoor moeten duizenden of tien­dui­zenden chips voort­du­rend enorme hoeveel­heden gegevens met elkaar uitwis­selen. De verbin­dingen tussen de chips moeten een zeer hoge band­breedte en een uiterst lage vertra­ging bieden.

Binnen moderne AI-data­cen­ters worden daarvoor speciale netwerk­ar­chi­tec­turen gebruikt. Het verdelen van zo’n cluster over meerdere satel­lieten stelt veel hogere eisen aan optische verbin­dingen tussen satel­lieten. De huidige tech­no­logie biedt nog niet vanzelf­spre­kend de pres­ta­ties die nodig zijn om grote, strak gekop­pelde trai­nings­clus­ters te ondersteunen.

Infe­rentie is doorgaans beter te verdelen. Een getraind model kan over meerdere afzon­der­lijke systemen worden uitgerold, waarna iedere satelliet relatief zelf­standig opdrachten verwerkt. De resul­taten worden vervol­gens naar de aarde gestuurd.

Ook toepas­singen waarbij de gegevens al in de ruimte ontstaan, kunnen inte­res­sant zijn. Denk aan de analyse van satel­liet­beelden, klimaat­me­tingen, navi­ga­tie­ge­ge­vens of commu­ni­ca­tie­stromen. Door die infor­matie direct aan boord te verwerken, hoeft niet alle ruwe data naar grond­sta­tions te worden verzonden.

Daarmee zouden de eerste orbitale data­cen­ters eerder het karakter kunnen krijgen van zeer krachtige edge­com­pu­ting­plat­forms dan van volledig in de ruimte nage­bouwde hypers­cale datacenters.

Onderhoud en levensduur blijven lastig

Een belang­rijk verschil met data­cen­ters op aarde is de moge­lijk­heid om appa­ra­tuur te onder­houden en te vervangen. In een regulier data­center kunnen defecte servers worden gere­pa­reerd en kunnen nieuwe GPU-gene­ra­ties relatief snel worden geïnstalleerd.

In de ruimte is dat veel complexer. Satel­lieten hebben een beperkte levens­duur en repa­ra­ties zijn kostbaar. Tegelijk volgen nieuwe gene­ra­ties AI-chips elkaar snel op. Een systeem dat technisch tien jaar kan func­ti­o­neren, kan econo­misch al veel eerder verouderd zijn.

Exploi­tanten moeten daarom bepalen of satel­lieten modulair kunnen worden opge­waar­deerd, naar een andere baan kunnen worden gebracht of na enkele jaren gecon­tro­leerd kunnen terug­keren of opbranden in de atmosfeer.

Ook de hoeveel­heid ruim­te­puin vormt een aandachts­punt. Groot­scha­lige data­cen­ter­con­stel­la­ties zouden uit honderden of duizenden satel­lieten kunnen bestaan. Daarmee nemen de eisen aan verkeers­be­heer, botsings­pre­ventie en gecon­tro­leerde verwij­de­ring aan het einde van de levens­duur toe.

Weten­schap­pers wijzen daarnaast op mogelijke gevolgen voor astro­no­mi­sche waar­ne­mingen en het zicht op de nach­te­lijke hemel. Zeer grote zonne­pa­nelen en constel­la­ties kunnen zonlicht reflec­teren en zo vanaf de aarde zichtbaar worden.

Geen enkele doorbraak is voldoende

De kern van de analyse is dat orbitale data­cen­ters niet door één spec­ta­cu­laire uitvin­ding econo­misch haalbaar worden. Meerdere ontwik­ke­lingen moeten gelijk­tijdig de goede kant op bewegen.

De lanceer­kosten moeten sterk dalen. Raketten moeten meer vracht vervoeren en veel vaker kunnen vliegen. Servers, zonne­pa­nelen en radi­a­toren moeten lichter worden. Satel­lieten moeten goedkoper op grote schaal kunnen worden gepro­du­ceerd. Tegelijk moeten snelle verbin­dingen tussen satel­lieten en grond­sta­tions beschik­baar komen.

Aan de andere kant moeten de beper­kingen op aarde groot genoeg blijven om de hogere complexi­teit van ruimte-infra­struc­tuur te recht­vaar­digen. Netcon­gestie, vergun­ningen, ener­gie­prijzen en vertra­gingen bij de bouw spelen daardoor net zo’n grote rol als raketten en satellieten.

Daarmee is de busi­nes­scase voor data­cen­ters in de ruimte in feite het resultaat van twee tegen­ge­stelde bewe­gingen. Data­cen­ters bouwen op aarde wordt moei­lijker en duurder, terwijl infra­struc­tuur bouwen in de ruimte langzaam goedkoper en realis­ti­scher wordt.

Het punt waarop die lijnen elkaar kruisen, is nog niet bereikt. Maar het lijkt inmiddels wel voor­stel­baar dat dit in de loop van de jaren dertig voor bepaalde toepas­singen gebeurt.

Wat enkele jaren geleden vooral als een futu­ris­tisch gedachte-expe­ri­ment werd gezien, ontwik­kelt zich daarmee tot een serieus scenario voor de data­cen­ter­in­du­strie. Orbitale data­cen­ters zullen aardse faci­li­teiten voorlopig niet vervangen. Ze kunnen echter wel een nieuwe infra­struc­tuur­laag vormen voor AI-infe­rentie, satel­liet­data en andere gespe­ci­a­li­seerde rekentaken.

Voor data­cen­ter­o­pe­ra­tors, leve­ran­ciers van energie- en koel­tech­no­logie en cloud­pro­vi­ders is het onderwerp daarom niet langer uitslui­tend iets voor scien­ce­fic­ti­on­lief­heb­bers. De benodigde tech­no­logie is nog onvol­wassen en de econo­mi­sche aannames zijn onzeker, maar de eerste concrete aanvragen, ontwerpen en kosten­mo­dellen liggen inmiddels op tafel.

De vraag is daardoor langzaam aan het veran­deren. Niet alleen óf er data­cen­ters in de ruimte komen, maar vooral wanneer, voor welke workloads en tegen welke kosten.

Pin It on Pinterest

Share This